In Dutch only.
REISVERSLAG VAN EEN VANGEXPEDITIE IN DE OERWOUDEN VAN GUYANA.
DATUM VAN VERTREK 06-07-1989
(Look for same story with images to the PDF version)
Guyana - the mighty Kaieteur Falls.
HOOFDSTUK 1 :
DE VOORBEREIDING
Op het moment dat dit verslag uiteindelijk op papier wordt gezet zijn de werkelijke gebeurtenissen al weer ruim anderhalf jaar geschiedenis. Natuurlijk zijn er de uitgebreide aantekeningen die van dag tot dag werden gemaakt en de foto's en videofilms die allen op hun eigen manier de reis kunnen weergeven. Het grootste deel van de inhoud van dit verslag zal echter uit mijn geheugen moeten voortkomen. Ik vrees dat de lange tussenliggende tijd hier en daar aan dit geheugen heeft geknabbeld en dat de volgende reis naar Guyana die nu reeds voor eind maart gepland staat voor veel verwarring in dit geheugen kan zorgen. Daarom neem ik nu mijn computer bij de hand en zal proberen samen met hem mijn hersens te bevrijden van de last om alles wat voorafging aan- en alles wat er gebeurde tijdens de reis te moeten onthouden.
Als fanatiek liefhebber van killie-vissen zijn er jaren van intensieve studie voorafgegaan aan het besluit om eens een vangexpeditie met bijbehorend veldonderzoek op touw te zetten. Het is de droom van iedere amateur wetenschapper een kleine bijdrage te kunnen leveren op het gebied van de kennis van onze eigen fauna en flora. Dit kan alleen maar op een zeer gespecialiseerd onderwerp omdat het niet doenlijk is voldoende kennis te vergaren van meerdere diergroepen of geslachten tegelijk. Het door mij gekozen onderwerp van studie was een grote groep vissen die bekend staat onder de familienaam Rivulus en die hun verspreidingsgebied hebben over het grootste deel van Zuid- Amerika inclusief het Caribische gebied. Door de enorme verspreiding van deze vissen en een gebrek aan overzicht van het voorkomen van de diverse vertegenwoordigers van deze familie is tot op de dag van vandaag niemand in staat geweest wetenschappelijk enige duidelijkheid in de samenhang te brengen. Wel zijn er vele beschrijvingen van soorten en indelingen waarin de diverse soorten kunnen worden ondergebracht. Veel echter is nog onduidelijk temeer daar er enorme gebieden nog niet of nauwelijks zijn onderzocht. De oorzaak is duidelijk. De groene hel ofwel het oerwoud geeft zijn geheimen maar mondjesmaat prijs. Het kost veel energie, doorzetting- vermogen, geld en een goede portie geluk om het grote bos zijn geheimen te ontfutselen. In 1909 probeerde de Amerikaan Eigenmann zijn geluk en wist met zijn expeditie naar o.a. Guyana een groot aantal vissen op naam te brengen. Zijn wetenschappelijke beschrijvingen waren zeer duidelijk maar erg beknopt en geven maar een summiere opsomming van de door zijn expeditie ontdekte vissen en hun kenmerken. Na de indrukwekkende vangsten in een betrekkelijk klein gedeelte van dit immense land werd het echter stil en werd verder geen ichtyologisch onderzoek meer gedaan. Naast vele vissoorten zoals pantsermeervallen, zalmpjes en tetra's beschreef Eigenmann zes vertegenwoordigers van het geslacht Rivulus. Deze waren: R.breviceps R.frenatus R.holmiae R.lanceolatus R.stagnatus en R.waimacui. Geen van deze soorten werden levend meegenomen en alleen als gepreserveerd materiaal in musea opgeslagen. Toen ik in mei 1988 het besluit nam om in het daaropvolgende jaar een poging te wagen de rest van dit land op het voorkomen van nog meer Rivulussoorten te onderzoeken had ik nog niet de flauwste notie van wat me te wachten zou staan. Omdat het mijn eerste vangexpeditie zou worden ging ik te rade bij mensen die het Zuid-Amerikaanse contingent al eens eerder bezocht hadden en zo nam ik contact op met mijn goede vriend Hendrik Heinemann (lijkt wel wat op Eigenmann nietwaar?) die eerder in Brazilië op reis was geweest. Ik hoopte erop dat hij mij zou willen begeleiden. Hij bleek dolenthousiast en vond het een machtig idee. We spraken af ieder voor zich te informeren naar alles wat we maar over Guyana te weten konden komen. Het klinkt onwaarschijnlijk maar het is toch waar, er was praktisch niemand die iets kon vertellen over dit land. Zelfs de reisgidsen, boeken over reizen in Zuid-Amerika etc. bleken niet meer gegevens te bevatten dan een korte geschiedenis van het land, de opbouw van de bevolkingspopulatie, religie en een overzicht van de economische en politieke situatie. Informatie over wegen, hotels, toerisme, bezienswaardig- heden weersgesteldheid en seizoensinvloeden was niet te krijgen. Rond februari 1989 was ik nog niet veel wijzer als zes maanden daarvoor terwijl toch vele instanties om informatie was gevraagd. Eind maart kreeg ik van een van mijn klanten het telefoonnummer van een naar Nederland geëmigreerde Guyanees die in Eindhoven woonde. Rond die tijd ook hoorde ik van Wim Suyker, een oude bekende uit Rotterdam dat deze ook plannen maakte om met het- zelfde doel Guyana te bezoeken. Het lag voor de hand de expeditie gezamenlijk te ondernemen en we maakten plannen in die richting. Nog diezelfde dag belde ik Hendrik Heinemann om hem van de stand der dingen op de hoogte te brengen. Helaas had deze inmiddels besloten met een ander reisgezelschap naar Afrika te reizen zodat alleen Wim en ondergetekende overbleven. Wim zou samen met zijn vrouw Ivonne reizen en Marjan, mijn echtgenote, zou mij begeleiden. Ook Wim had natuurlijk alle pogingen in het werk gesteld inzicht te krijgen in de situatie van het land. Het resultaat was echter ook niet veel waard. Dus belde ik naar de mij totaal onbekende man in Eindhoven. Deze bleek Melville van Lange te heten. Hij was getrouwd met Monica, een Surinaams meisje en met haar naar Nederland gekomen om hier te werken. Dat was inmiddels al weer tien jaar geleden en Melville had zichzelf het Nederlands goed weten bij te brengen. We maakten een afspraak om eens wat over zijn geboorteland te praten. Ik hoopte op deze manier aan de benodigde informatie te kunnen komen. Nou dat bleek een voltreffer. Melville was verrukt van het idee eindelijk eens iemand te treffen die belangstelling voor zijn vaderland had. Ik ontmoette hem diezelfde week nog in Eindhoven. Tijdens dat bezoek rees bij mij de gedachte deze man als reisgids mee te vragen en dat deed ik dan ook meteen. Ik bood hem aan op mijn kosten de reis mee te maken. Ik was laaiend enthousiast over mijn nieuwe contact omdat hij bleek te zijn opgegroeid diep in het binnenland van Guyana en dus eigenlijk een rasechte gids kon zijn voor het gebied wat wij wilden bereizen. We spraken af dat hij zijn familie in Guyana zou gaan bellen en alvast het nodige werk vooruit zou doen. We stelden vast dat de gunstigste tijd om vissen te kunnen vangen na de grote regentijd en dus ongeveer juli was. Melville kon de laatste 3 weken van Juli vakantie opnemen en dus prikten we die tijd voor de expeditie. Thuisgekomen zette ik alle informatie eens op een rijtje en kwam tot de conclusie dat dit wel een erg dure grap zou kunnen worden maar dat succes verzekerd zou zijn. Ik belde Wim en liet hem weten wat mijn bedoeling was. Nu bleek de door mij gekozen tijd voor Wim en Ivonne niet haalbaar. Door oppas problemen konden zij niet eerder als de laatste week van juli en dat bracht mij voor een haast onoplosbaar probleem. Melville kon zijn vakantie niet verschuiven en na weken van overleg werd besloten dat ieder voor zich zou reizen en we elkaar in Guyana zouden treffen in de laatste week van juli. Monica, de vrouw van Melville vertelde over de grote problemen en ongemakken die een westerse vrouw op zulke junglereizen zou moeten trotseren en mede hierdoor leek het Marjan onverstandig mee te reizen. De andere reden was dat Ivonne en Wim zich pas in de derde week bij ons zouden voegen. Dus boekte ik een vlucht voor Melville en mijzelf. De vlucht zou op 6 juli uit Amsterdam vertrekken naar Londen, vandaar naar Trinidad en dan direct door naar Georgetown, de hoofdstad van Guyana. Maar dat was nog ver weg en er waren nog drie maanden tijd voor het voorbereiden van de reis. Ik begon, het klinkt misschien wel gek, met het bouwen van een nieuwe kweekstelling met een centraal biologisch filtersysteem. Ik maakte plaats voor 130 bakjes maar bouwde echter niet meer dan 40 bakjes. Indien nodig zou ik later altijd snel de andere bakjes bij kunnen maken. Verder ging ik op zoek naar een geschikt handnet met een telescopische steel. Hierin bleek de handel niet te voorzien zodat ik genoodzaakt was er zelf een te maken. Ook 'n treknet van een paar meter moest worden gemaakt (dit blijkt in Nederland een verboden vistuig te zijn). Verder schafte ik bij de plaatselijke Chinees 100 plastic etensbakjes met deksel aan. Deze pasten in elkaar en zouden de gevangen vissen korte tijd als huisvesting moeten dienen. Natuurlijk was het ook belangrijk te zorgen voor zaken zoals plastic zakken, potjes om de soorten in te preserveren, watertest apparatuur, notitieblok, potlood. Verder had ik al contact opgenomen met Han Nijssen, conservator van het Amsterdams Taxonomisch Instituut afd. Ichtyologie, welke mij uitvoerig met allerlei adviezen te hulp kwam. Hij zorgde voor de benodigde spullen om het wetenschappelijk materiaal te conserveren en te omschrijven. Ik beloofde hem direct na terugkomst uit Guyana te bezoeken en het meegebrachte materiaal ter verdere conservering af te staan. Deze belofte ben ik nooit nagekomen. Over het hoe en waarom later. Ook moest er een bezoek aan de in Brussel aanwezige Ambassade van Guyana worden gebracht om voor de visa te zorgen. Melville en ik gingen er samen heen en we werden te woord gestaan door een jonge vrouw die de familie van Lange aardig kende.(Haar moeder woonde in het dorpje waar Melville geboren was.)Dit kwam aan het licht toen Melville zijn Guyanese paspoort liet zien. Naast zijn Guyanese paspoort had Melville ook nog zijn Nederlandse pas en beide hadden zij geldigheid. Later zou dat voor nogal wat problemen en verwarring zorgen zodat we in Londen op een haar na onze vluchtaansluiting misten. Natuurlijk moesten ook de nodige injecties tegen de Gele koorts en Hepatitis B worden gehaald. Vivotif capsules tegen buiktyfus en twee soorten pillen tegen malaria. Daar de vormen van malaria in Guyana resistentie kunnen hebben opgebouwd tegen deze medicijnen werd tevens aanbevolen Fansidar mee te nemen bij wijze van noodmaatregel wanneer we toch 'n malaria- aanval zouden krijgen. Ook kocht ik geneesmiddelen tegen diarree en een middel om drinkwater te desinfecteren, verbanddoos etc.. Het lag in de bedoeling langere tijd in het oerwoud te blijven en zo moest er een lichtgewicht tweepersoons iglotent worden aangeschaft. Ook een goed kompas en een draagbare halogeen zaklamp. Bij elke aankoop werd het praktische nut vergeleken met de te verwachten overlast i.v.m. het gewicht en de ingenomen bagageruimte. Alles moest in en op de lichtgewicht rugdraagtas die dus waarschijnlijk niet "lichtgewicht" zou blijven. Hoe dan ook, naarmate de tijd vorderde kreeg ik steeds meer het gevoel alles gedaan te hebben wat in mijn vermogen lag om op onverwachte gebeurtenissen of situaties voorbereid te zijn. Ook de hele foto uitrusting werd nagekeken en de batterijen vernieuwd, films met een extra hoge lichtgevoeligheid voor het fotograferen in de jungle (400 asa ) en een extra lading Silicacell om het vocht te weren werd ingeslagen. Bijzonder gelukkig was ik met de toezegging van de Nijmeegse heer Schuurman zijn hele video uitrusting aan mij uit te lenen. Hendrik Heinemann, mijn Duitse vriend, stuurde mij nog een hele "checklist" zodat weinig zaken konden worden vergeten. Natuurlijk zou ik vanuit Guyana diverse kaartjes willen versturen en om tegen die tijd niet teveel schrijfwerk te hebben maakte ik een hele strook stickers met namen en adressen op de computer vast vooruit. Op 5 juli, de dag voor vertrek werd Melville door zijn vrouw Monica en hun zoontje Garvan in Lent gebracht. Ook de moeder van Monica was erbij om Melville en mij een goede reis toe te wensen. Melville zou die nacht bij ons overnachten en Emiel, mijn trouwe medewerker zou om kwart voor vijf de volgende morgen bij ons zijn om ons in mijn auto naar Schiphol te rijden. Alles verliep volgens plan en we gingen die morgen om 5 u 30 van huis. Ik voelde mij niet goed bij de gedachte zonder Marjan aan deze reis te beginnen omdat ik mijzelf altijd gezworen had dat ik zo'n vangexpeditie nooit zonder haar zou ondernemen. Nu echter had ik eerst afscheid van haar moeten nemen voordat we gingen en dat stemde mij een lange tijd nogal somber. Eigenlijk was de verwachting van een ongebruikelijk zware beproeving en van erg ongunstige klimaat- omstandigheden geen reden genoeg om alleen te gaan maar aan de andere kant had ik ook een gerust gevoel dat dit alles haar bespaard zou blijven. Ik was gedreven door de wil om het onmogelijke mogelijk te maken en dus niet alleen de makkelijkste weg te nemen om mijn doel te verwezenlijken. Dat zou betekenen dat er van niet veel rust spraken zou zijn en dat er niet zou worden gekeken naar wat ongemak.
HOOFDSTUK 2 :
DE VLIEGREIS
De rit naar Schiphol was snel en duurde ongeveer een uur zodat we ongeveer om 7 u 35 afscheid namen van Emiel die met de auto huiswaarts keerde. Het meisje aan de incheckbalie van British Airways had haar dag niet maar trachtte dat niet te laten merken. Haar collega bracht haar helemaal van de wijs met wat computerproblemen. We lieten de bagage wegen en tellen en kwamen met onze 6 stuks bagage op nog geen 30 kilo. Het totaal toegelaten gewicht voor ons beide was 40 kilo dus hoefden we geen overgewicht te betalen. De koffers werden afgevoerd en de handbagage zoals de rugzak van Melville en mijn handkoffer de videocamera en foto- apparatuur gingen met ons in het toestel. Bij een klein stalletje in de vertrekhal nam ik een broodje kaas met een warme chocomel. Dat was het eerste die dag wat ik binnen kreeg. In tegenstelling met de eerdere vluchtplanning van een rechtstreekse vlucht naar Georgetown werd door de BWIA nu overnacht op Trinidad zodat wij ook voor een hotel daar hadden moeten zorgen. Melville had daarom afgesproken op Schiphol met iemand die voor ons het adres van een goed hotel bij zich had. Het was een meisje wier vader kort geleden uit Trinidad naar Nederland was gekomen en een brief ter aanbeveling voor een bepaald hotel bij zich had. Terwijl we op onze vertrekmelding wachtten handelden wij de douane faciliteiten af en konden we door naar de gate's. Voordat we het vliegtuig binnen konden werden we nog door de douane gevisiteerd en moest ik de kleine handkoffer openen om de transformator te tonen die het alarm had doen afgaan. In Guyana is het grootste deel van het elektriciteitsnet op 110 volt gesteld. Daarom die transformator. Anders kon ik de batterijen van de videocamera niet herladen. Het ding woog echter zwaar en zag er uit als een verdacht explosief voorwerp. Dit zou voor meer oponthoud zorgen. Na deze laatste controle moesten we wachten op het sein dat we het vliegtuig in konden. Die tijd werd gebruikt om nog snel even naar huis te bellen. Daar maakte ik de eerste video-opnamen van de reis. Het was wel leuk later te zien hoe we er op dat moment nog tegenaan keken. Toen wist ik nog niet dat verder telefonisch contact nauwelijks meer mogelijk zou blijken. In het vliegtuig naar Londen werd een sober ontbijt genuttigd en voor we het wisten waren we met ca.15 min. vertraging in Engeland op Heatrow geland. Om naar de vertrekhal nr. 3 te komen moesten we met een bus mee. We misten de eerste aansluiting omdat we bij de verkeerde halte stonden te wachten. Er leek genoeg tijd over maar door allerlei tegenslagen en verwarring bij het inchecken voor de transatlantische vlucht ging er toch nog bijna van alles mis. Melville had n.l. met zijn oom in Engeland afgesproken dat deze een koffer vol met spullen mocht meegeven voor familieleden in Guyana. Daar er aan van alles een tekort is in dat land zat deze koffer vol tot aan grens van z'n mogelijkheden. Loodzwaar en bol was deze door oomlief zelf afgegeven. Melville gaf deze koffer af bij de incheckbalie en het meisje daar ging er vanuit dat dit de enige bagage was. Ze had niet gezien dat er nog 'n aantal bagagestroken aan de binnenkant van mijn vliegticket waren gehecht. Maar op het laatste nippertje kwam zij erachter. Net op tijd gelukkig want anders had alle bagage in Londen achtergebleven en waren we alleen met de koffer van Oompie Walter weggevlogen. Met deze koffer samen kwam het aantal bagagestukken op 7 en dat was voor de luchtvaartmij BWIA niet toegestaan. 2 stuks per persoon, meer niet was het devies. Hiervan waren wij niet op de hoogte en toen dat dan ook werd verteld kreeg ik het Spaans benauwd. Echter de problemen werden nog groter toen Melville bedacht dat hij met z'n Guyanese paspoort meer rechten kon verwerven. Iemand met twee paspoorten echter kan verwarring scheppen en dat bleef dan ook niet uit. Het vrouwtje achter de balie werd na verloop van tijd bijgestaan door twee collega's en begreep er zowat niets meer van. Nadat echter alles achter de rug was kon ik mij niet aan het gevoel onttrekken dat we zwaar door haar gematst waren en dat ze om de zaak niet nog ingewikkelder te maken ons maar met alle bagage liet gaan. (tegen de regels in van de maatschappij). Na het controleren van mijn transformator werden we tot het toestel toegelaten welke ons uiteindelijk naar de andere kant van de wereld zou brengen. Het zou een lange zit worden maar onze plaats achter in het toestel vlak achter de vleugel bij het raam was wel comfortabel. Naast ons waren we getuige van een gesprek in een nogal typisch engels dialect en het bleek dat een van beide mannen ook Georgetown als eindbestemming had. Melville herkende direct dit dialect als z'n eigen moedertaal en stelde zich voor aan een van hen. Het onwaarschijnlijke bleek toch mogelijk want ook nu weer bleek de man Melville's familie te kennen. Kennen was nog wel zwak uitgedrukt want de man, Reggy genaamd, bleek voor de oom van Melville te werken en was handelsvertegenwoordiger voor de hout- export uit Guyana naar Europa. Hij besprak de mogelijkheid van een snellere verbinding vanuit Trinidad doordat er een kans was opgehaald te worden door een vliegtuigje van de maatschappij waarvoor hij werkte. Hierdoor zouden wij niet hoeven te overnachten en een dag winnen. Helaas bleek dit later op niets uit te lopen. Tijdens de vlucht werd gegeten en ik moet zeggen dat ik me hiervan wat meer had voorgesteld. Onsmakelijk chinees eten met een klein toetje na. Maar de cola's met Chivas rum gingen er in als koek totdat ik merkte dat cola zonder rum oom heel lekker was. Melville kwam daar pas wat later achter en toen was het reeds te laat. Onderweg hoorden wij dat er ook nog een tussenlanding zou worden gemaakt op Barbados en dat wij daar ongeveer 45 minuten tijd hadden om buiten het toestel wat buitenlucht op te snuiven. Reggy wist een manier om door de douane te komen zonder pascontrole ( en zonder visum ) want hij had veel relaties. Wijzelf bleven achter en maakten foto's. Dit werd ons echter onmiddellijk verboden door een beambte van de luchthaven. Even later op weg naar Trinidad ging het drinken van cola's gewoon door. Toen we aankwamen boven het eiland Trinidad en we onze handbagage bij elkaar zochten gaf Melville met een wat bleke kleur te kennen dat hij zich niet helemaal in orde voelde. Toen we echter geland waren en de warmte door de open deur naar binnen viel werd mijn reisgenoot doodziek. Aanvankelijk had ik nogal schik van deze situatie omdat ik ogenschijnlijk beter tegen de warmte kon dan de in de tropen opgegroeide Melville. Maar toen ik hem uitgeput zag zitten en ik alle koffers alleen voor me uit moest schuiven kreeg ik toch wel medelijden met hem. Met het wachten voor de douane en alle formaliteiten achter de rug was het 20 uur in de avond geworden. Op ons horloge was het (tijdsverschil van 6 uur ) inmiddels 00.20 in de nacht. Aangezien wij reeds vanaf 4 u 45 onafgebroken op reis waren geweest zagen we toch uit naar een bed. Daarom op zoek naar een taxi welke ons naar ons hotel zou brengen. We vonden snel iemand en spraken af dat deze ons de volgende morgen op tijd weer op zou halen. Een half uur later kwamen we aan in Tuna Puna, ongeveer 35 km. van het vliegveld Port of Spain waar ons 'n warm onthaal te beurt viel. We kregen een kamer met twee bedden maar zonder airconditioning en Melville wilde i.v.m. zijn toestand een kamer met z'n ding. Dus werd deze snel in gereedheid gebracht en ik rekende vooraf 35 US $ met de hotelier af. Er bleek slechts een bed aanwezig dus kropen wij daar na een verkoelende douche direct in. Nu vind ik het niet erg met een man het bed te delen zolang ik maar op enige afstand kan blijven. Maar helaas was het spiraal van dit bed zo slap dat ik me de hele daaropvolgende nacht aan de rand heb moeten vasthouden om niet in de armen van mijn reisgenoot te rollen. Deze sliep als een roos en ik dus niet. Om zes uur in de ochtend localtime stond ik op om de omgeving wat te verkennen en fotografeerde enkele posters en een kaart van het eiland in de ochtendzon. Even later kregen wij een ontbijt bij de hoteleigenaar aan tafel en ik moet zeggen dat dit voortreffelijk was. Heerlijke verse vruchten zoveel je maar wilde hebben. Heerlijk !. Direct daarna verlieten we hen om naar het College van Trinidad te gaan. Op deze school had Melville jaren gestudeerd en hij wilde van de gelegenheid gebruik maken er eens terug te gaan kijken. Per taxi-busje, meer een rijdende pluche discotheek vol zwetende mensen, reden we langs de hoofdweg en deze busjes beheersten het drukke verkeersbeeld totaal. Druk toeterend en seinend met de lichten werd voor elk vermoedelijk "vrachtje" gestopt om dit op te pikken. Het was echt te gek. Het hele busje was uitgedost met franje en glimmende zaken. De raggae-muziek stond keihard aan en luchtjes zoals die van uien, knoflook en olie bezwangerde de lucht. Er werd links gereden en dat was voor mij op die overvolle hoofdweg een angstige gewaarwording. Omdat die busjes alleen maar op de hoofdweg mogen rijden moest worden overgestapt in een taxi om ons doel te bereiken. Twee andere mensen stapten onderweg in en betaalden net als wij 1.5 Trin. Dollar, wat ongeveer overeenkomt met fl.1,75. In het College aangekomen bleek alles nog zoals Melville het in 1977 had verlaten. Helaas was i.v.m. de vakantie niemand aanwezig die hij kende. Daarom bezochten we zijn neef Desmond die daar in de buurt woonde. Ook deze was niet thuis en dus keerden we terug naar ons hotel waar we om 9 u 45 aankwamen. De taxi stond reeds op ons te wachten en we reden na het inladen van onze handbagage terug naar het vliegveld. Daar aangekomen moesten wij eerst onze koffers die in depot waren gebleven identificeren. Die taak nam ik op mij terwijl Melville in de rij ring staan voor de tickets (inchecken). Het komt vaak voor dat wanneer men niet op tijd is een plaats aan iemand anders wordt verkocht. Op tijd erbij wezen was dus het devies. Toen wij als laatste het vliegtuig binnengingen stond een deel van de bagage nog buiten het toestel op platte wagens en ik had een angstig voorgevoel dat hier iets niet klopte. Mogelijk had men meer bagage dan het kleine toestel kon bergen en er moest wat achterblijven. De vlucht naar Guyana zou ons een uur tijdwinst opleveren daar wij in zuidwestelijke richting vlogen en een tijdgrens passeerden. Het vertrek was met een half uur vertraging om 12 u 30 maar door gunstige wind werd deze vertraging grotendeels weggewerkt en kwamen we om 14 u 20 met een ferme klap op het vliegveld Timehri neer. Voordien had ik de kustlijn van Venezuela en diverse rivieren in de groene deken beneden ons zien opglimmen. Ik was zeer onder de indruk van de immense rivierdelta waarover wij vlogen vlak voor de landing werd ingezet. Dat moest wel de Essequibo zijn en mijn fotocamera klikte er op los. Ik bedacht mij dat van bovenaf alles wel mooier zou lijken als beneden en ik zou gelijk krijgen. Het toeval wilde dat oom Albert, de baas van Reggy en tevens de man bij wie we op bezoek zouden gaan in het midden van het binnenland waar hij een houtwinnerij runde, onder aan de vliegtuigtrap stond te wachten. Hij was zojuist zelf met een klein toestel aangekomen en stond op het punt met een zakenvliegtuigje naar zijn werkgebied te vliegen. Melville gaf hem het lekkere flesje jajem dat hij voor hem had meegebracht maar meteen kwamen de mensen van de douane in actie en gelastten ons de fles weer terug te nemen. Dit was strikt genomen smokkel van drank daar de fles anders buiten de douane om het land in zou zijn gekomen. Daar had ik zelf nou niet direct op gekomen maar in principe hadden ze gelijk. Wij lieten Albert dus achter en gingen zelf op weg naar de douane afdeling. Na lange wachttijden waren we door de douane en konden onze bagage van de band gaan halen. Waarvoor ik al bang geweest was bleek werkelijkheid. De helft van onze spullen was in Trinidad achtergebleven. Geruchten gingen dat deze zou worden nagestuurd op een latere vlucht die dag maar dat bleek niet zo te zijn. Zonder dat deel van de bagage zou het vangen van vis onmogelijk zijn
HOOFDSTUK 3 :
NOODGEDWONGEN VERBLIJF IN GEORGTOWN
Afijn, Patricia, ofwel "Patsi" van Lange stond in de aankomsthal op ons te wachten en Terry reed ons allen in zijn landrover naar de hoofdstad Georgetown welke ca. 35 km. van Timehri verwijderd lag. Terry was een vriend van de familie en had net als Wendell, de broer van Melville, een goudmijn in de grensstreek met Venezuela. Ook daar zouden we heengaan zoals in de bedoeling lag. De Winnamu river was een van de meest afgelegen en onbereikbare rivieren van het hele land en kon alleen maar worden bereikt door gebruik te maken van het kleine, voor militaire doeleinden aangelegde vliegstripje Etterengbang. Dit stripje lag precies bij Ankoko island wat door Venezuela was veroverd en geannexeerd. Politiek een spannend gebied en voor mij een wetenschappelijk interessant gebied. Maar daarover later meer. Na het aangeven van vermiste bagage bij een speciaal daarvoor ingericht loket gingen wij op weg naar de hoofdstad. Nou zou je denken dat zoiets niet lang hoeft te duren maar dan heb je het toch mis. Onderweg moest er, ondanks een halfvolle tank, toch bijgetankt worden en daarvoor sloten wij aan in een onafzienbare rij voertuigen die zonder uitzondering geduwd werden door de bezitters. Ik kon mijn ogen haast niet geloven en toen ik hiervan een paar filmbeelden wilde schieten werd ik daar Melville tegengehouden. Vragend naar het waarom van dit alles kreeg ik te horen dat de benzine zo schaars was op dat moment dat er alleen nog enkele pompen open waren en dat deze elk moment door hun voorraad heen konden zijn. Daar deze situatie voortkwam uit slecht beleid en gebrek aan westerse valuta was het niet verstandig hiervan filmbeelden te maken. Dit zou de autoriteiten in verlegenheid kunnen brengen en daardoor zou ik in moeilijkheden kunnen komen. Ik was echter niet overtuigd van dit argument en filmde onopvallend het hele gedoe. De pomphouder zelf moest de pompen met de zwengel bedienen daar er op dat moment een "black-out" was. Dit verschijnsel zou mij mijn hele verdere oponthoud in Guyana blijven achtervolgen. Na drie flesjes lauw bier en anderhalf uur in de rij waren we aan de beurt en konden onze weg vervolgen. De hele weg waren we langs allerlei stalletjes met suikerriet sap en drank en ananas gereden en hieraan leek geen eind te komen. De concurrentie moest wel moordend zijn want er waren meer verkopenden dan kopers. Ieder probeerde iets aan de man te brengen. Toen we de hoofdstad binnenreden veranderde er iets aan het wegdek. Overal waren er diepe gaten in het asfalt en voordien was me dat nog niet echt opgevallen. De Landrover vond z'n weg echter met grote behendigheid en leverde ons af in een wijk met mooie huizen. Eindelijk waren we aangekomen en we werden begroet door twee lieve kleine kinderen en een jongeman die zich voorstelde als Sjeen (ik weet niet of ik dit goed schrijf maar zo werd het uitgesproken) die meehielp in de huishouding en tot de familie van Patsi behoorde. Patsy en Wendell hadden dus twee kinderen, Adam, een jongen van twee jaar en een meisje van 4 jaar. Mijn eerste indruk van het onderkomen van mijn gastheer was bijzonder goed en het leek of hij tot de betere stand behoorde. In de grotendeels met cement geplaveide voortuin stonden twee haast identieke racemotoren en voor het huis was er een grote chevrolet met reusachtige wielen die "big foot" werd genoemd. Weliswaar stonden twee van de vier banden leeg zodat je haast van "flat foot" spreken kon en zoals later bleek zaten de wielen niet met de gebruikelijke zes moeren vast maar met niet meer als drie. Het verkrijgen van onderdelen was een haast onmogelijke opgave. Voor het huis stond een grillig gevormde boom met wijde kruin en prachtig bloedrode bloemen. Rond het huis was een deels gemetselde en deels metalen afrastering aangebracht en daaromheen een ondiepe ca. 40 cm brede greppel om het overtollige regenwater af te voeren. Het krioelde hierin van de kleine visjes. Deze hadden natuurlijk direct mijn aandacht maar pas later zou ik in de gelegenheid zijn om vast te stellen om wat voor 'n soort het ging. Het huis zelf bestond uit een beneden- en bovenverdieping en een tamelijk vlak aflopend dak. Alle ramen waren voorzien van metalen hekwerk en konden d.m.v. speciaal horizontaal aangebrachte glas strippen worden geopend voor ventilatie. In deze wijk van de hoofdstad stonden alle huizen vrij van elkaar met daartussen flink wat ruimte. Dat had ik onderweg hierheen wel al anders gezien. Hierdoor was het mogelijk langs de zijkant op het achtererf te komen en ook hier was de hele ruimte ommuurd, met cement geplaveid en van afvoerkanalen voorzien. Een groot vat van 120x120x120 cm deed dienst als waterreservoir en aan de voorzijde bevond zich een kleine koperen kraan. In het huis was het gezellig ingericht en de grote keuken die op de achterplaats uitzicht bood vormde een geheel met de eet-zitkamer. Direct na aankomst brachten we de bagage naar boven waar men voor ons een mooie ruime kamer had klaargemaakt. De twee bedden waren beide van een muskietennet voorzien. Nadat we onze spullen hadden uitgepakt gingen we naar beneden en dronken een glas "cooldrink" gemaakt van ananas en citroen met koud water. Althans, echt koud zoals het zijn moest was het niet. De oorzaak hiervan was dat de koelkast niet werkte en dat was weer het gevolg van de stroomuitval die de stad met de grootste regelmaat trof. In de dagen die zouden volgen zou het gebrek aan stroom me nog lelijk parten spelen maar daarvan wist ik toen nog niets. Bij een "black-out" als deze gingen er overal elektra generatoren in werking en ook Wendell had zo'n ding. Helaas was ook deze kapot en was reparatie niet mogelijk omdat de onderdelen niet leverbaar bleken te zijn en dus in de USA waren besteld. Ook 't water uit de leiding bleek niet te stromen en de reden daarvan was een raadsel. De hele stad zat zonder water en niemand die er wat aan deed. Nu had Wendell van Lange een bijzonder vernuftig systeem aan laten leggen om het regenwater uit het grote vat op de achterplaats met een pomp naar de kranen te pompen. Zogauw men ergens een kraan opendraaide zou deze pomp automatisch aanslaan en water gaan pompen. Maar ja, zonder stroom werkt de beste elektrische pomp niet en de generator werkte evenmin. Later bleek er nog een technische storing in het automatische regelsysteem te zijn zodat wanneer er dan korte tijd wel stroom was de pomp met de hand moest worden aan- en uitgezet. Alles op een rijtje dus voor de eerste dag; We hadden maar een klein gedeelte van de bagage, geen benzine, geen stroom, geen stromend water, geen lucht in de banden van Big-foot, geen generator, geen waterpompsysteem, geen TV en ook Wendell zelf was nog niet terug van zijn goudzoekers- kamp in de jungle. Het was niet erg bemoedigend maar ik bedacht me dat ik niet voor m'n gemak aan deze expeditie was begonnen en dat zulke dingen nu eenmaal in een derdewereldland heel gewoon geaccepteerd moeten worden. Later in de middag arriveerde Wendell en de begroeting tussen beide broers was bijzonder hartelijk. Ik filmde het huis en de kinderen en de accu's waren snel uitgeput. Opladen was niet mogelijk dus voegde ik die eerste dag weer 'n "geen" toe aan het rijtje. Dus geen videocamera. We aten die middag gezamenlijk en namen daarna plaats op het balkon waar Wendell in z'n hangmat ging liggen en vertelde over van alles en nog wat. Thuis ben ik gewend na het eten een kopje koffie te drinken maar hier was dat niet gebruikelijk. Ik had mij voorgenomen om mijzelf helemaal aan te passen aan de gebruiken en de gewoontes van de gastgevers dus ging ik om ongeveer kwart over tien naar bed toen ook de rest naar bed ging. Toen wij op Timehri aankwamen was er spraken van een ware wolkbreuk, eentje zoals ik nog nooit had meegemaakt. Die nacht waren er minstens nog drie van die wolkbreuken, de een nog heviger dan de ander. Tussen dit natuurgeweld door werd de stilte verbroken door het monotone geronk van alle generatoren in de omgeving die wel operationeel waren. Verder bleek de stad vergeven van de honden. Onder ieder huis waren er wel een aantal te vinden. Er was vaak spraken van inbraak en daarom die honden. Inbrekers of niet, de hele nacht door gingen die beesten tegen elkaar te keer. Begon er een met z'n gehuil dan waren er minstens twintig die antwoord gaven. Kortom ik heb geen oog dichtgedaan en was dus nog fit als 'n hoentje toen Melville zich om 6 uur begon te roeren. Toen ook hij wakker was stonden wij op om de dag met een gezonde trimloop te beginnen. Zo kwam het dat wij twee al om 6 u 30 op de "Sea-wall" aan het joggen waren en genoten van een prachtige zonsopkomst boven zee. Melville had z'n camera meegenomen en we maakten enkele foto's van de vissers die op de zeewering hun buit aan het uitsorteren waren. Veel kleine visjes, garnalen en enkele grote Welsen die hun laatste adem uitbliezen lagen op de kant. In het water de boten die een idyllisch plaatje opleverden. Aan de kant van de vloedlijn merkte ik honderden vissen op die telkens als we naderden langs de oppervlakte wegschoten. Het bleken vierogenvissen (Anableps anableps) te zijn en het verbaasde mij deze dieren in zee aan te treffen. Ze staan als brakwaterdieren bekend. Misschien was de invloed van de rivieren op het zeewater groter als ik dacht en was het water dus toch brak. Na een paar kilometer hardlopen kwamen we bij het sluizen complex die het water uit de kanalen van de stad naar de zee laat. Eigenlijk is de stad lager gelegen dan het hoogwaterpunt van de zee. Vandaar dat de zeewering is aangebracht welke nog in 1980 door Ballast Nedam werd vernieuwd. Bij laag water echter kunnen er sluizen worden geopend waardoor het overtollige water uit de kanalen in en om de stad kan worden afgevoerd. Langs deze zeewering loopt de weg die langs de kust tot aan Suriname loopt. Ondanks het vroege uur op zaterdag was het al een drukte van jewelste op deze weg. Veel mensen te voet of met een kar en ook veel taxi's die allen een vrachtje op willen pikken. Hoe meer mensen instappen des te lonender de rit. Ook de busjes zitten afgeladen. Aan de kant beginnen mensen hun stalletje op te zetten waarin zij sigaretten en nootjes aanbieden of "Ginnap" een soort groene harde vruchten met vlezig zoet vruchtvlees en grote pit. Die pitten ziet men overigens overal liggen in de stad maar in de buurt van zo'n stalletje ligt het er mee bezaaid. Het blijkt dat Melville een geoefende halve marathonloper is en dat ons loopritme aardig overeenkomt zodat we even later de hoofdweg oversteken en terugkeren naar huis waar het ontbijt op ons wacht. Rustig lopend langs de sloten waarin prachtige lelie bloemen boven water uitsteken en waarin het wemelt van de kleine visjes. Even blijf ik staan om te zien om wat voor soorten het gaat. Het blijken guppen te zijn die elk watertje hier massaal bevolken. Even zie ik een grotere vis schieten en een wolk van guppen verspreid zich naar alle kanten om aan deze roofvis te ontkomen. Het water is echter te vies om te kunnen zien wie er nu eigenlijk jaagt. Vandaag zullen we echter naar het kantoor van BWIA in de stad gaan en de achtergebleven bagage ophalen. Melville ging op de brommer en Wendell met mij achterop op de motor en zo scheurden we naar het centrum van Georgetown. Het was mooi weer en toen we aankwamen bij het kantoor had ik een goed humeur. De motor was onderweg wel een paar keer afgeslagen maar dat kon de pret niet drukken. Liep op drie pitten of zoiets. Rookte in ieder geval als een schoorsteen en liet een behoorlijke roetlaag op mijn rug achter. Ondanks dit euvel echter kon je voelen dat er 'n massa pk's onder je stampten. Welnu, op de deur van het kantoor hing een bordje met daarop het woord "CLOSED" en een man in uniform stond achter de deur. Binnen zaten wel veertig mensen op de houten banken. Wendell haalde de man over na enig aandringen ons ook binnen te laten en we namen plaats bij de andere wachtenden. Zeker twee uur duurde het voor we aan de beurt waren en een klein kamertje binnen werden gelaten waar een vrouw van in de veertig ons doodleuk vertelde dat we voor niets hadden zitten wachten omdat de bagage niet hier maar op een of andere "Ramp" moest worden afgehaald en dat dit niet eerder kon als op maandag. Toen werd ik toch echt kwaad en liet daarover geen twijfel bestaan. Heftig protest en de mededeling dat mijn medicijnen ook in deze bagage waren maakte niet de minste indruk op de vrouw. Melville zag dat er geen eer te behalen viel met een grote mond en floot mij in het Nederlands terug. De vrouw daarop sprak snel in het Guyanese dialect tegen Melville dat hij voor mij maar snel een mooi meisje moest optrommelen zodat ik wat afleiding zou hebben. Ik verstond dit echter net nog goed genoeg en reageerde door te zeggen dat ik dan misschien wel terugkwam voor haar. Ze keek me geschrokken aan en ik verliet met de twee anderen de kamer. We hadden de wachttijd wel besteed aan het confirmeren van de terugvlucht zodat we niet helemaal voor niets waren geweest. Zonder visspullen kon er niets ondernomen worden dus besloten Melville en ik om die middag op de motor naar het enige goede hotel in Guyana te gaan en te genieten van een drankje op het terras aldaar. Dit hotel dat de mooie naam "Pegasus" droeg was gelegen in de nabijheid van de kustlijn en ook dicht in de buurt van het centrum van de stad. Er was een zwembad en er heerste een weldadige rust. De lounge waar wij doorheen moesten ademde een gezellige sfeer uit en was in tegenstelling met de armoedige stad rijk ingericht. Dit hotel had beslist een buitenlandse leiding, waarschijnlijk Amerikaans, en bestond uit zes etages met kamers die allen een balkon hadden. Veel gasten heb ik niet waargenomen die dag en op de balkonranden en bomen zaten in totaal minstens 6 prachtige ara's tegen elkaar te krijsen en te ruziën. Het personeel was vriendelijk en we namen plaats onder grote ronde parasols aan de rand van het spiegelgladde water van het niervormige zwembad. Ondanks dat er, onszelf niet meegerekend, niet meer als drie gasten buiten zaten kwam een zes man sterke steelband een heerlijk repertoire muziek ten beste geven. We hadden genoten die middag en hadden ook iets meer exotische cocktails gedronken dan strikt genomen verantwoordelijk was daar de terugtocht op twee wielen zou moeten plaatsvinden. Ik reed de terugweg met Melville achterop en genoot intens van de rit. Onderweg stelde deze voor het andere zwembad bij het Tower Hotel te gaan bezichtigen en daar nog een pilsje te pakken. Ik volgde zijn aanwijzingen en laveerde door de straten alsof ik m'n hele leven nooit anders als links had gereden. De verkeersregels zijn voor iedereen duidelijk maar voor mij waren daar toch nog wat vragen. Elk kruispunt heeft z'n eigen voorrangsregeling. De ene keer heeft het dwars verkeer dit voorrangsrecht en de andere keer op dezelfde weg had ik dat weer. Melville waarschuwde mij telkens voor de komende kruising hoe de regeling was. Ik vroeg me natuurlijk af hoe hij dat wist en hij vertelde dat er vroeger op de straten witte strepen hadden gestaan die er in de loop van de tijd waren afgesleten. Kleine restanten echter op de zijkanten van het asfalt waren ons houvast. Inhalen deed je zowel links als rechts net waar de meeste ruimte was. Bij voorkeur hield je de vinger voortdurend op de claxon want dan viel je tenminste niet op tussen de andere toeterende weggebruikers. Voetgangers hebben, behalve in het centrum zelf, nergens een voetpad ter beschikking en zijn werkelijk rechteloos grofwild dat naar believen de sloot ingejaagd kan worden. In de dagen die zouden volgen heb ik hiervan meerdere staaltjes gezien. Je nadert ze bij voorkeur stilletjes van achteren om dan vervolgens hard toeterend vlak langs hen op te razen. Alles bij elkaar waren de regels, of het ontbreken daarvan, niet het grootste probleem van de verkeersveiligheid maar de verraderlijke diepe gaten in het asfalt overal waar je ze juist niet verwachtte boden verassende situaties. Ook het vrij lopende vee zoals schamele koeien en paarden en de vele honden in de buitenwijken vormden een levensbedreigend aspect in het verkeerswezen van dit derde- wereldland. Wij kwamen echter veilig bij het Tower Hotel aan en de drukte in het zwembad aldaar stond in schril kontrast met de rust in Pegasus. Het prijsniveau was lager en het overvolle zwembad en terras werden duidelijk gebruikt door de jeugd als ontmoetingscentrum. Overal herkende men Melville als de broer van Garvan die klaarblijkelijk behoorlijk populair was in de stad. Na nog wat drankjes stapten we op en gingen op zoek naar een winkel waar postkaarten te koop waren. Alles bleek op zaterdag gesloten en ook op zondag zouden er geen winkels open zijn. Ook het postkantoor was dicht en dat was de enige plek waar postzegels te koop zouden zijn. Zonder deze zaken dus keerden we terug naar huis. Na het eten verliep de avond rustig en vroeg gingen we allen slapen. Het was windstil en drukkend en de muggen vielen als legers in slagorde aan. Het net verhinderde echter dat wij doodgestoken werden. Die nacht stak er meerdere malen een korte storm op als gevolg van in de buurt neerstortende buien maar het bleef zo goed als droog. In de morgen begon het hard te regenen en daarom pakte ik om kwart voor zeven een pen en papier en begon mijn aantekeningen over de eerste dagen van mijn verblijf. In de middag klaarde het weer op en besloten wij naar de dierentuin te gaan. Foto- en videocamera ingeladen en met "big foot" die inmiddels weer lucht in z'n banden had gingen we met de hele familie op z,n zondags gekleed uit. Bij de ingang was een grote vijver waarin een tiental reusachtige zeekoeien lagen te luieren. Je kon ze vanaf de kant wat gras of bladeren geven die ze met hun lelijke slurflippen zo uit je hand trokken. Het hele gebeuren op de video gezet want in de nacht was er 2 uur stroom geweest en had ik de gelegenheid gebruikt om een accu op te laden. De tuin zelf was slecht verzorgd en toonde maar een klein deel van de inheemse dieren waar het land zo rijk aan was. Die zondagavond zijn Melville, Terry en ik op stap gegaan en bij "Mingles" buiten op het terras hebben we bij flink wat biertjes naar binnen laten glijden. Het bier is goed te drinken maar smaakt toch wel wat vreemd. Als je wilt kun je het "wateriger" noemen, maar het ging er in als koek. Drank is wel een van de best verkrijgbare artikelen in het hele land en Melville wist te melden dat er zoiets als een competitiedrang bestond bij de Guyanese bevolking als het er om ging hoeveel alcohol een mens verdragen kan. Zelden zag ik zoveel reclame voor drank als langs de armoedige staten van dit land. De meest schreeuwende advertenties en uithangborden waren wel die van het wodkamerk "Smyrnoff" en het biermerk "Banks". Beide firma's moeten wel miljarden omzetten en miljoenen verdienen bij zo'n gretige afname van hun producten. Banks is een lokaal merk en de fabrieken zijn vanaf de weg in hun grootheid te bezichtigen. Zoals gezegd, de zondagavond was gezellig en we maakten een paar nieuwe vrienden. Een ervan behoorde tot het inventaris van deze discotheek en vertelde honderduit over de streek waarvandaan hij afkomstig was. Pomeroondistrikt was het meest westwaarts gelegen gebied waar men met normale vervoermiddelen zoals een auto of motor kon komen. Men moet echter dan wel met de boot de grote delta van de Essequibo oversteken. Voor mij gaven deze verhalen telkens weer wat informatie over het gebied en de bereikbaarheid ervan dus hield ik m'n oren goed open. Maar naarmate de avond vorderde kreeg de alcohol in zijn bloed steeds meer de overhand totdat hij vredig wegdroomde in een andere wereld. Later zouden we hem nog een paar maal ontmoeten en telkens was hij in een soort afwezige toestand als we opstapten om naar huis te gaan. Ook nu was de avond laat geworden en daar het in onze bedoeling lag de volgende morgen vroeg naar de "Ramp" te gaan om de vermiste bagage op te halen en tevens postkaarten te gaan kopen, bracht Terry ons om 12 u 30 thuis. Nog voor het ontbijt, om zeven uur de volgende morgen, zat ik al met Wendell in "big foot" om naar het bagage depot te gaan en onze bagage in ontvangst te kunnen nemen. Heel de ruimte was vol met rekken en al deze rekken puilden uit van de koffers en dozen met labels eraan. Vermissingen waren klaarblijkelijk aan de orde van de dag en als ik dat zo eens aanzag was mijn probleem niet alleen mijn probleem. We moesten natuurlijk enige tijd op onze beurt wachten en ondertussen speurden mijn ogen naar de voor mij zo bekende vis- transportdozen maar kon deze nergens ontwaren. Dit was op zich geen gegronde reden om mijzelf ongerust te maken maar toch bekroop mij een onaangenaam gevoel. Toen wij aan de beurt waren kregen we te horen dat onze bagage nog niet aangekomen was. We moesten het die middag nog maar eens proberen. In mijn hoofd begon zich een drama af te spelen en ik zag al voor me hoe het zou zijn als de bagage de hele trip zoek zou blijven. Wendell monterde me echter op en we keerden zonder bagage huiswaarts om te ontbijten. Melville was intussen ook uit de veren en ging nadat ook hij z'n ontbijt op had met mij naar de stad om postkaarten te kopen. Bij "Guyana Stores" de grootste winkel die de stad rijk was kochten we onze kaarten, 50 stuks. Ook keken we naar dingen die we als souvenir mee zouden kunnen nemen maar vonden nergens iets wat enige waarde voor ons had. Wel zagen we leuke T-shirts met opdrukteksten. Een ervan luidde "Someone went to Guyana and bought me this beautiful T-shirt" en we besloten er hiervan voor ons vertrek enkele te kopen. Daarna naar het postkantoor waar we aansluiten achterin de rij van ca. 15 meter die voor het ene geopende loket stond. De andere 9 loketten waren niet bemand. Een jongen van ongeveer tien of elf jaar hield een klein beduimeld stukje karton voor mijn neus met daarop de tekst; Ik ben een domme jongen die niet kan praten. Geef mij een dollar ! Hij zag in mij een bron van inkomsten en bleef mij steeds maar weer aanstoten om de tekst op het stukje karton kracht bij te zetten. Ik had het gevoel dat hij goede zaken deed en meer verdiende als de man achter het loket. Zo stom was hij nou ook weer niet. Ik gaf hem de dollar en was van hem af. Op gezette tijden konden we een plaatsje opschuiven en zo kwamen we langzaam maar zeker dichter in de buurt van het loket en de postzegels waar het ons om te doen was. Na 30 minuten hadden we onze postzegels en zochten we een plaatsje in een restaurant aan de overkant van de straat waar we de adressen en wensen op de kaarten aanbrachten. Hier bewees zich het nut van de stickers die ik al op de computer had geprint. In korte tijd was de hele stapel verzendgereed. Melville had intussen twee milkshakes aan laten rukken en ik moest 't grootste deel ervan laten staan omdat deze mij tegenstond. Kaarten op de bus en tegen de middag waren we weer terug thuis in de wijk Bel Air. Om iets nuttigs te doen zijn we begonnen de motor te repareren. Deze bleef steeds maar op drie pitten lopen en sloeg af als je vanuit de eerste versnelling wilde wegrijden. Het lukte ons het probleem te verhelpen. Daarna scheurden we opnieuw naar het depot, nu ging Melville met mij mee. Nu bleek diezelfde man te ontkennen dat hij gezegd had dat we die middag terug moesten komen. "M¢rgen" , had hij gezegd, loog hij. Opnieuw een dag verloren. Die avond aten we een soort pannenkoeken met vulling en gebruikten daarbij geen bestek. Alhoewel het uitstekend smaakte was ik niet in staat veel te eten. De zorgen knaagden mijn eetlust weg. Op de achterplaats bij het waterreservoir wasten wij ons lijf van boven tot onder en daar het stikdonker was vanwege de steeds maar voortdurende black-out hoefden we niet bang te zijn dat we daarbij de buren zouden shockeren. Op het watervat en tegen het keukenraam ving ik enkele kleine bruingroene boomkikkertjes. De hele nacht door kon je ze horen fluiten. Eigenlijk was het meer een sjirpend geluid zoals krekels dat kunnen maken. Opvallend daarbij was dat als je stil stond en eventjes zo bleef staan het koor rondom je op gang kwam om ogenblikkelijk op te houden bij de geringste beweging die je maakte. Het gesjirpt begon gelijk met het invallen van de duisternis rond zeven uur, half acht en hield de hele nacht aan zolang het niet regende. Die nacht bleef het droog en was alleen het ronken van generatoren, het blaffen en janken van 250 honden en het sjirpen van honderden kleine kikkertjes te horen om nog maar te zwijgen van de geluiden die de mensen in het huis allemaal wisten te produceren. Melville snurkte, maar dat doe ikzelf ook naar het schijnt, en de hele familie snurkte hoorbaar over de scheidingswanden van de kamers die niet tot aan het dak doorliepen. Ik was echter volkomen fit de volgende morgen en deze dag, dinsdag 11 juli, zou hopelijk wat meer succesvol zijn als de vorige. Op de motor met Melville achterop naar "The Ramp" het bagagedep0t gegaan waar we om ongeveer 10 uur aankwamen. Tot mijn grote opluchting ontwaarde ik de dozen al op een afstand temidden van nog een grotere berg bagage als voorheen. We hoefden niet te wachten maar de beambte wilde wel mijn paspoort zien. Hierop had ik niet gerekend maar begrijpelijk was dat echter wel. Een klein beetje druk van Melville en een kleine financiële tegemoetkoming deden wonderen en zo konden we de bagage meenemen. Tevens werden we in de mogelijkheid gesteld schadevergoeding te claimen bij de luchtvaart mij. maar daarvan zagen we af omdat hier toch niets uit zou komen. We tekende een verklaring om dit te bevestigen en moesten toen nog de douane passeren. Deze wilde de inhoud van beide dozen zien zodat alles moest worden opengemaakt. Na inspectie van de eerste doos liet men ons echter door zonder de andere doos open te maken.
Nu stonden we met de beide grote dozen buiten en om deze achterop de motor te vervoeren zou heel wat spierkracht van de duopassagier z'n armen vergen zodat we een van de talrijke taxi- chauffeurs die hun diensten aanboden de dozen achterin lieten laden. De klep knarste naar beneden en de man nodigde mij uit om via de enige nog bewegende achterportier van het vehikel op de "achterbank" plaats te nemen. Nou, ik had spijt dat ik niet op de motor ben teruggereden want de "taxi" bezat een typisch derde wereld veringsysteem. De achteras was vast gelast op het onderstel en de vering in de achterbank was niet opgewassen tegen de constante schokken en was totaal buiten werking. De rit was een hel, ik werd tijdens de rit jaren ouder. Iedereen die de wegen van Georgetown kent zal weten wat ik bedoel. Hoe dan ook, toen we terug waren bleek de man ook nog een buitensporig hoog tarief voor de rit te willen berekenen. Door de prijs zelf tot tweederde te reduceren maakte we de chauffeur weliswaar ontevreden maar dat was ik ook dus stonden we quitte wat dat aanging. We betaalden 120 GD, zo'n 6 gulden dus. Hij vroeg 180.
HOOFDSTUK 4 :
VANGEXPEDITIE NAAR "SKULL POINT" AAN DE MAZARUNI RIVIER.
Nu eindelijk konden we plannen maken het binnenland te bezoeken en daarmee begonnen we dan ook onmiddellijk. Melville belde naar familie in Bartica om een overnachting daar te regelen. We zouden als eerste oom Albert bezoeken, de man die wij voorheen op het vliegveld al ontmoet hadden. Hij had zoals gezegd de leiding over een houtwerf in het midden van een voor mij bijzonder interessant vanggebied en kon dus van wezenlijke waarde zijn voor onze expeditie. Wij zouden zijn huis als uitvalsbasis gebruiken en van daaruit diverse, diep in het oerwoud liggende, locaties afvissen. Om bij hem te komen moesten we eerst met de auto naar Parika, een plaatsje aan de brede bovenloop van de Essequibo om vandaar uit met een veerboot of de veel snellere snelboot verbinding naar Bartica te reizen. In Bartica zouden we de vader en moeder van Patsi bezoeken en mogelijk de nacht doorbrengen. De volgende morgen zouden we de veerboot nemen naar het verderop de rivier gelegen Skull- Point alwaar oom Albert de scepter zwaaide. Strikt genomen had ik geen rekening gehouden met een overnachting in Bartica maar alles zou weer anders lopen als waarmee ik rekening had gehouden. Plannen maken is in Guyana eigenlijk een zinloze bezigheid. Elke situatie zorgt voor een aanpassing en bijstelling van de plannen. Uiteindelijk blijft er van het oorspronkelijke plan niet veel meer heel. Avontuurlijk is dat wel en het vereist een bepaalde instelling m.b.t. de snelheid waarmee een bepaald doel moet worden bereikt. Gelatenheid is vaak het enige devies. Laat maar waaien en onderga de dingen zoals ze zijn. Maar die instelling had ik mijzelf nog niet eigen gemaakt en zo heb ik mijzelf vele malen tijdens deze eerste bush-trip ongelukkig gevoeld. Terug echter naar de morgen van ons vertrek. Wendell zou ons begeleiden in de taxi naar Parika en ons uitzwaaien. Heel vroeg vertrokken wij met z'n drieen en de hele vanguitrusting per taxi richting Parika waarbij we de langste pontonbrug van de wereld moesten oversteken. Deze drijvende brug bracht ons aan de andere zijde van de Demarare-rivier vanwaar we naar de haven van Parika konden rijden. De rit duurde ca. 2 uur en om 10 uur die morgen kwamen we aan op de overvolle en bedrijvige steigers van Parika. Daar aangekomen de bagage naar de steigers gebracht en wat film- en diaopnamen gemaakt. Wendell zorgde voor een plaatsje op de snelste boot doe naar Bartica zou afvaren en zwaaide ons uit toen wij om 10 u 35 vandaar afmeerden en vertrokken. De boten zelf waren een soort houten sloepen die langgerekt van vorm waren waar drie man naast elkaar in konden plaats nemen. Er waren met het hekgedeelte meegerekend 5 banken in de boot en met een paar man en de bagage op de voorplecht konden er ca. 18 mensen in worden vervoerd. De boot meerde af en begon snelheid te maken en daar ik veel op het water gezeild en gesport heb weet ik iets van motoren e.d.. Wat ik hier zag sloeg werkelijk alles. Deze boot bezat een buitenboord motor van 225 pk en ontwikkelde naast een hels lawaai ook een absurde snelheid. Als wij op de rivier die daar kilometers breed is een stuk hout of iets dergelijks onder water zouden raken zou de gehele achterzijde van de boot worden afgerukt en zouden we allen verdrinken. Geen enkel drijvend reddingsmiddel was aan boord. Ons leven was in de handen van het geluk. Echter na precies 55 minuten racen stapte ik met een flinke gehoorbeschadiging uit en rekende een bedrag van 2500 GD voor ons beiden af.(fl. 125,00). Daar stonden we dan, eigenlijk op het meest inlands gelegen stadje van Guyana. Mocht ik de indruk hebben gehad dat in de hoofdstad het een en ander een verwaarloosd beeld had opgeroepen, dit overtrof echter alles. Bartica is the Ashole of the world, zei ooit een Amerikaanse bezoeker. And You are the shit who comes thrue. Dit gezegde is tekenend voor de uiterlijke toestand van dit stadje dat vroeger het handelscentrum voor houthandel en goudzoekers was geweest. De stad is gelegen op de landtong die wordt gevormd door de samenvoeging van de twee grootste riviersystemen van het land. Vanuit het zuiden komt de enorme Essequibo en vanuit het zuidwesten vloeit de Mazaruni daarmee samen. Bartica ziet dus uit over beide rivieren. De stad zelf is wat indeling aangaat tamelijk simpel van indeling. De straten lopen parallel aan elkaar en liggen steeds even ver van elkaar af zodat de plattegrond er uitziet als een keuring, in kleine blokjes, gesneden plak kaas. Alle oost- west lopende straten worden vanaf zeezijde oplopend genummerd en Avenues genoemd. Alle noord oost lopende straten worden ook genummerd maar heten eenvoudig Lanes. Deze indeling is eigenlijk het enige geordende in deze stad. De huizen zijn zonder uitzondering vervallen en slecht onderhouden. De een echter is er slecht aan toe de ander staat op instorten. Toch zijn alle huizen bewoond. Langs de 2e avenue zijn de meeste stalletjes te vinden en vind de hele dag en zoals mij later bleek ook tot laat in de nacht een bloeiend handels en uitgaansleven plaats. De mensen in Bartica hebben een gemoedelijk en prettig karakter. Nadat we dus de snelboot onder ons gelaten hadden en met alle bagage de helling op klommen naar de straten van Bartica voerde Melville mij naar een groot houten huis op palen. Van boven uit de open ramen werden wij van afstand al hartelijk begroet door de familie van Patsi en Sheene. De hond onder het huis leek even gevaarlijk maar hield zich toch op afstand toen we door het ijzeren hek naar binnen gingen. We lieten de bagage beneden en bestegen de lange trap die aan de buitenzijde van het huis naar boven voerde. Daar aangekomen volgde een warm onthaal en werd voor een fris glas gezorgd dat goed deed op het heetst van deze dag. Ik had inmiddels een enorme koppijn gekregen en ik neem aan dat het motorgeluid van de snelboot daarvan de oorzaak was. Nog steeds was het geluid in mijn kop terwijl het zeker al twintig minuten geleden was dat ik de boot verliet. Hoe dan ook, ik zat rustig uit het raam te kijken naar het leven beneden ons en het leek wel of de grond onder mij bewoog. Eerst dacht ik dat het met de koppijn te maken had maar nu ik er op lette, het huis bewoog echt. Telkens als er iemand van plaats veranderde veranderde de helling van de vloer alsof het hele huis op ‚‚n paal balanceerde. Niet te geloven maar waar. Ik maakte me nog geen zorgen maar ik vroeg me wel af hoe dat met een flinke windstoot aan zou voelen. Men verzekerde mij dat er echter geen gevaar bestond en dat alle paalhuizen zulke bewegingen maakten. De inrichting was huiselijk en schoon. De vader en moeder van Patsi waren gastvrij en uitgesproken vereerd met ons bezoek en vonden het erg leuk dat wij die nacht bij hun zouden slapen. Die avond aten wij de warme maaltijd die door de gastvrouw op een zeer aparte wijze was klaargemaakt. Er stond vis op het menu, en toen ik in de keuken een kijkje nam zag ik nog net hoe de grote zoetwater- catfish in korte moten werd geslagen en zo de pan in gleed. Helaas verbleef het beest veel te kort in het hete water om gaar te worden en zowel Melville als ik hadden grote moeite om de half- rauwe vis door de strot te krijgen zonder te kotsen. Beleefd lieten we dus na afloop "n restje vis staan om daarmee aan te geven dat we echt niet meer eten konden. Mevrouw zelf zat vol overgave het laatste visvlees van de graatjes te kluiven en genoot zo intens van haar maal dat ze onze gruwel rillingen niet opmerkte. Na de maaltijd gingen Melville en ik ons wassen in de rivier. We namen zeep en handdoek mee en doken in de Essequibo en zwommen eerst in het koffiekleurige water. Melville demonstreerde zijn enorme kunst om lang onder water te blijven en hield het meer dan twee en een halve minuut vol. We zwommen om het hardst en ik moest het al halverwege opgeven omdat ik de stroom niet de baas was. Die avond had ik een heerlijk gevoel van blijdschap. Samen met mijn reisgenoot zag ik papegaaien overvliegen en Melville die hier met zijn vader en broers jaren had gewoond vertelde mij dat je er 's avonds de klok op gelijk kon zetten. Telkens op dezelfde tijd vlogen de dieren naar een bepaalde plek aan de overzijde van de rivier die aan de einder nog net te ontwaren was om er de nacht door te brengen. Samen met Melville wandelde ik door de straten van Bartica en soms hoorde ik kussende- dan weer fluitgeluiden achter me. Melville legde me uit dat achter elk raam, voor onze ogen verborgen, wel mensen zaten en dat sommige er gein in hadden op die manier de aandacht van de buitenlander, die ik was, te trekken. Het wilde zoveel zeggen als ; "Hallo vreemde, zie je mij niet ?" of het had de bedoeling om de vreemde een beetje in verlegenheid te brengen. Er stak echter geen kwaad in en die avond in Bartica waar iedereen op straat leek te zijn gaf een sfeer die ik niet gauw zal vergeten. We dronken een paar pilsjes en troffen er, je raad het nooit, nog een andere buitenlander aan die toevallig ook nog uit Nederland afkomstig bleek te zijn. Hij woonde samen met een geneeskundige uit Luxemburg al een jaar in Bartica en was daar voor "Artsen Zonder Grenzen" doende met de bestrijding van en met onderzoek naar Malaria. Helaas ben ik z'n naam vergeten maar zijn voornaam was Jerry en ik gaf hem mijn telefoonnummer. Hij had zijn tijd er bijna op zitten en vond het eigenlijk jammer daar weg te moeten. Het beviel hem bij de mensen in deze stad. Toen hij van ons reisdoel hoorde bood hij ons een plaats aan in een chartervlucht naar de Kaieteur- waterval die de hoogste one - drop waterval op deze wereld is. Men had hem deze trip aangeboden maar hij wilde er geen gebruik van maken. Voor mij klonk dat echter als muziek in de oren want dit was een van de voorgenomen reisdoelen van Wim Suyker en mij. Hij zou ons dan de zondag die volgde laten bellen bij Wendell in Georgetown zodat wij dan verder afspraken konden maken. Nog een biertje en dan gaan slapen want het zou de volgende morgen weer vroeg opstaan worden. We moesten om 8 u 30 de oude boot nemen naar Skull- Point en voordien natuurlijk nog ontbijten en afscheid nemen. Ruim op tijd kwamen we aan op de pier waar het bootje zou moeten liggen en dus niet lag. Aanvankelijk waren we van gedachte dat het nog moest komen maar toen dit erg lang op zich liet wachten deden we navraag bij iemand die er rondhing. Deze hielp ons uit de droom en vertelde dat de boot veel vroeger dan gewoonlijk was vertrokken. Nu daar stonden we dan. De enige mogelijkheid om in Skull- Point te komen was het organiseren van een privé booteigenaar. die ons voor geld, veel te veel geld, naar de overkant zou varen. Deze werd door de rondhangende jongeman binnen 10 minuten voor ons opgesnord zodat we een half uur later toch de overtocht konden beginnen. Ondanks de betrekkelijke snelheid van de boot duurde de tocht zeker 'n drie kwartier. De benzine was schaars en we moesten dan ook flink in de buidel tasten. Van tevoren waren we een prijs van 700 GD overeengekomen wat neerkwam op zo'n 40 gulden. Als je dan bedenkt dat het bootje dat als veer dienst deed ons voor zo'n 4 gulden had overgebracht waren we dus maar liefst 10 keer zo duur uit. Om 11.00 uur stonden we op het zandstrand onder het hoger gelegen huis van oom Albert. Onze bagage lieten we onder toezicht van twee kleine jongens achter op het strandje en we ontmoetten Albert even later op het terrein. Gekscherend en tamelijk beledigend voor het arme kind prees hij een van de zwarte meisjes die bij hem op kantoor werkte voor hun gewillige medewerking in de liefde en bood mij gemakshalve aan dit maar meteen eens uit te proberen. Het meisje was nog heel jong en schaamde zich rot voor de grove manier waarop Albert met haar leurde. Ze was echt zwart en daarom kon je haar blozen niet zien. Zoals later bleek stond Albert er bekend om de mensen om hem heen voor schut te zetten en te shockeren. Ondanks dat kreeg ik de indruk dat hij in werkelijkheid heel goed en eerlijk was voor de mensen die bij hem werkten. Om de aankomst te vieren dronken we op de veranda van het prachtige hardhouten huis een zeer oude cognac en brachten een toost uit op de thuis achtergebleven vrouwen. Daarna kregen we een rondleiding door de houtzagerij, de reparatie werkplaats, de kantine en de loswal. Heel deze organisatie was opgezet met veel inzicht en ik vond alles bijzonder doeltreffend. Het terrein had z'n eigen landingsstrip voor kleine vliegtuigen, was goed over water bereikbaar en ook voor grote vrachtschepen was er plaats om af te meren. Tevens was er een landingssteiger voor watervliegtuigen een radio-installatie met verbinding naar alle delen van de bewoonde kuststrook. De werknemers waren in goede huizen ondergebracht en de meeste woonden er met hun vrouw en kinderen. Het leidinggevende personeel woonde in apart opgestelde woningen dichter bij het huis waarin wij te gast waren. De vrachtauto's die het hout uit het woud aanvoerden waren afkomstig uit Russische legerdumps en deden haast vooroorlogs aan. Veel van het zware materieel stond op een apart daarvoor ingericht "kerkhof" omdat het niet meer te repareren was of omdat de onderdelen niet meer voorhanden waren. Die middag besloten wij een eind het oerwoud, dat direct achter de laatste arbeiderswoningen oprees, in te lopen om eens wat op onderzoek uit te gaan. Ik had mij tot op dat moment nog steeds niet kunnen uitleven door dat te doen waarvoor ik hierheen was gekomen namelijk Rivulussen vangen. Bedenk wel dat door alle toestanden sinds onze aankomst reeds vijf dagen waren verstreken en er niet een keer gelegenheid tot vissen was geweest. Nu was ik daar echter zeer dicht bij en dat maakte mij opgewonden. Wij liepen het oerwoud in over de weg die de trucks benutten en wandelden zo'n 5 kilometer ver. Veel skinken en andere kleinere hagedissen lagen te zonnen aan de kant van de weg waar de zon kans kreeg door het hoge bladerdak door te dringen. Bijen maakten een onheilspellend aanzwellend zoemgeluid om dan plotseling over te gaan in een even zo onheilspellend stilzwijgen. Grote vlinders prachtig zwart met blauwe vleugels zweefden als vertraagd door de lucht die zwaar was van het vocht dat tussen de bomen bleef hangen. Ik sprak weinig en liet deze fantastische omgeving op mij inwerken. Al lopend ontdekte we een "creek", 'n watertje dat langzaam stromend over de weg heen liep. De wegenbouwers van de houtzagerij hadden de bosgrond verstevigd door er zo'n tien hardhouten boomstammen in te graven en het water liep daar overheen. Links en rechts van deze "brug" was het water dieper en omdat het op sterke thee leek was het moeilijk goed waar te nemen of er vissen in zwommen. Zo af en toe zag ik echter kleine visjes die op vuurneons leken en ook herkende ik spatzalmen en Nannostomus- soorten. We hadden de netten en andere zaken niet meegenomen en besloten terug te keren om onze eerste inlandexpeditie voor te bereiden en een beetje te vissen met de door mij meegenomen telescopische fiberglas hengels. Zo verstreek de dag en in de avond werd gezamenlijk gegeten. Daarna zwommen we nog wat in de Mazaruni en ik schrok echt toen ik iets aan mijn teen voelde bijten. Met de hengel hadden we diverse piranha's gevangen en ik dacht dus meteen aan de mogelijkheid opgevreten te worden door deze roofzuchtige dieren. Later bleek dat het brakwater garnalen betrof die zo vrij waren van mijn voeten te eten. De twee jongens, welke ons bij onze aankomst op het strandje hielpen met de bagage, waren hun eerste verlegenheid kwijt en werden bruikbare hulpjes. Ze doken met verbazingwekkende handigheid een rubberen eindstop van de hengel op die van de steiger in het water terecht gekomen was. Ook leerden ze ons met een grove haak en een stuk visvlees hoe er door hun op piranha's wordt gevist. Het werd vroeg donker en iedereen was na tien uur in diepe slaap, behalve ik dan. Oom Albert had eerst nog even flink liggen te rampetampen met de kokkin des huizes en het was duidelijk hoorbaar dat hij daar best mee overweg kon. Het was vreemd dat ik zo weinig sliep zonder dat dit overdag merkbaar was. Melville en de rest sliepen als een blok. Midden in de nacht begon oom Albert ineens Melville's naam te roepen en toen deze uiteindelijk vreselijk wakker schrok en vanonder zijn muskietennet vandaan antwoord gaf kreeg hij van Albert te horen dat hij maar lekker moest gaan slapen. Geintje, maar het was half vier in de nacht en Melville had oompje het liefst over de scheidingswand heen getrokken om hem deze streek betaald te zetten. Die ochtend was iedereen om ongeveer 6 uur op en we douchten ons voor het eerst sinds ons verblijf in Guyana. Precies daar waar je het niet zou verwachten aan de rand van het onmetelijke oerwoud was het leven leefbaarder als in de stad. Een slim regenopvangsysteem met hooggelegen water reservoir verschaften ons deze weldadige douche. Nou aan regen geen gebrek ook die dag niet. Ons plan was diep het oerwoud in te dringen met behulp van de reusachtige trucks die voor het bomentransport dienden. Aan het eind van de 36 mijl lange weg landinwaarts lag het basiskamp van de houtvellers. Van daaruit werden de bomen geselecteerd, neergehaald en opgeladen. Per dag werd twee tot driemaal een wagen met 5 a 6 stammen geladen en naar de zagerij "Skull- Point" vervoerd. Het basiskamp van de houtvellers werd "Backdam" genoemd. Die morgen zouden we met de eerste truck die uit het woud zou komen mee terug het woud inkeren om dan ergens bij veelbelovende "creeks" uit te stappen en te gaan vissen. De truck werd rond half negen verwacht en wij zaten dus rond die tijd startklaar. Uren later was er nog steeds geen truck gearriveerd en ik werd wanhopig. Telkens ging er weer wat mis. Eindelijk hoorden we geronk en omstreeks elf uur die morgen zagen we de wagen over de weg uit het oerwoud komen. Met de wagen was de voorman van het basiskamp meegekomen en deze vertelde dat we beter op de volgende truck konden wachten omdat die een betere route zou nemen het woud in. Ik liet me overhalen te wachten al deed ik dat niet graag. Om 13 uur pas arriveerde de tweede wagen. Regen viel met tussenpozen met bakken uit de lucht en de wagen moest nog worden gelost. Melville en ik besloten daarom maar vast lopend naar de eerste kreek te gaan en daar voor het eerst het vanggereedschap uit te proberen. Wanneer de truck terug het woud inging zou de chauffeur stoppen om ons op te pikken. We werden tijdens die wandeling zo nat dat er geen vezel meer droog was aan ons lijf. De temperatuur echter was aangenaam. Zo af en toe kwam de zon weer door en hadden we de gelegenheid om foto's te maken. We passeerden de eerste kreek en liepen door naar de volgende. Voordat we deze bereikten hoorden we de truck achter ons ronken zodat we ons even later in een hotsend en botsend herriemakend voertuig door het oerwoud lieten rijden. In het dak van de truck was een rond mangat waar voorheen een schutter z'n stek had gehad. Met mijn bovenlichaam uit het dak en met blote voeten op de motorbehuizing in de cabine gleed het oerwoud aan mij voorbij. Het viel me op dat overal zoveel grote bomen en woudreuzen aan de motorzagen ontsnapt waren. Eigenlijk kon je bijna niet zien dat er gekapt was en alleen hier en daar zag men sporen van de in vervlogen tijd gemaakte paden die vanaf de hoofdweg het bos inliepen. De meeste waren echter weer dichtgegroeid met lage begroeiing en jonge opgroeiende bomen. Opvallend was ook dat na de kreek die we in het begin van de tocht gezien hadden er geen water meer te bespeuren was. De weg maakte steeds meer hoogte en links en rechts van ons gaapte zo af en toe een steile afgrond. We reden duidelijk over een bergrug. Voor ons uit schrikten we enkele malen een grote zwarte vogel op die hier "Pauwi's" genoemd worden en schijnbaar heel hoog aangeschreven staan voor wat betreft hun smaak. We konden eenmaal de voor ons uit vluchtende vogel bijna met de hand bij de poten grijpen. De bijrijder en de chauffeur klaagden over het gebrek aan munitie waardoor de jacht op deze dieren uitzichts- loos was. Het waren grote hoenderachtige dieren die alleen in uiterste nood op de vleugels te krijgen waren en dus meer in het onderhout van het bos op voedsel uit waren. Om drie uur stopten we ergens waar de weg ophield en in een kleine open plek veranderde. Hier waren enkele mensen bezig op de grond liggende bomen van hun bovenste takken te ontdoen. Het was 'n heel speciaal soort hardhout met de namen "Red-hart en Yellow-hart" die geselecteerd werden voor de kap. Ook moest de boom een minimale diameter hebben om in aanmerking te komen om te worden geveld en verwerkt op Skull- Point. Door deze selectieve werkwijze is er een belangrijk verschil in de bosbouw van Guyana en die van bijvoorbeeld Brazilië waar alles plat gaat en waar nooit meer herstel van het woud denkbaar is. Daar waar we gestopt waren was geen water te bekennen zodat we de omgeving maar wat rondliepen op zoek naar interessante dingen. Intussen kwam vanuit het bos met gillende motor en langzaam zwoegende machine met een nieuwe woudreus. Nu lagen er pas drie bomen. Weer begon het te regenen maar nu met zo'n hevigheid dat de arbeiders besloten het bijltje er bij neer te gooien en zonder bomen naar het basiskamp terug te keren. Snel werden de spullen afgedekt en werd de motorzaag in de cabine van de auto geladen. Iedereen, zocht een plaatsje in of achterop de truck zodat we op elkaar gepropt de weg vervolgden. In de cabine zaten vijf man en de chauffeur, achterop in de stromende regen stonden drie man die zich vasthielden zodat ze niet zouden vallen en onder de achter de truck hangende bomenoplegger zouden komen wat een zekere dood tot gevolg zou hebben. Ikzelf zat in een benarde positie. Bovenop het motoromhulsel waarop ik eerst gestaan had tegen de voorruit aangeperst waardoor het water met stralen naar binnen goot en met mijn hoofd gebukt om niet met elke sprong die de truck maakte door het dak te gaan. Ik zat met beide voeten op de rand van het zijraampje want op de vloer stond de motorzaag met z'n lange zaagblad door het open voorraam gestoken. De chauffeur reed hard en glibberde en bonkte over de oneffen piste. Hij wist steeds bij de diepste kuilen even in te houden om vervolgens weer het gaspedaal diep in te trappen. De ruitenwissers waren niet meer functioneel en het zicht was slecht. Zo reden we een dik uur en ik raakte moe in mijn armen omdat ik mij zo stevig vast moest houden. Plotseling vloog de auto een stukje door de lucht en klapte zo hard neer dat ik met mijn voeten van de rand afschoot en met volle vaart met mijn been in de motorzaag belandde. Een hevig bloedende wond was het gevolg maar de tocht ging zonder onderbreking door. Na nog 'n half uur was de kwelling voorbij en de truck kwam tot stilstand in een, op een kaal gemaakte heuvel, aangelegd kamp van houten barakken en huisjes. De regen was weer even opgehouden en we werden ingekwartierd in het "gastenhuis" alwaar we onze kleren te drogen hingen en ik mijn wond kon verzorgen, iets waarbij Melville mij uitstekend hielp. Het was een diepe hap vlees die uit m'n kuit was geslagen en onze koffer met geneesmiddelen deed goede diensten. Verband aangelegd en op onderzoek uitgegaan naar iemand die ons kon vertellen of er een beek in de buurt was. Een kleine jongen van zeven of acht jaar, de zoon van de voorman die we reeds hadden leren kennen bracht ons naar de wasplaats van het kamp en daar in het kristalheldere sterk stromende beekje krioelde het van de visjes. Het was al 6 uur dus we gingen snel terug om de netten te halen en groot was mijn verbazing toen bleek dat het voornamelijk guppen waren die we hadden zien zwemmen. Hier, helemaal aan de voet van de Bleu Mountain diep in het ondoordringbare oerwoud stuitte ik na dagen reizen op niets anders dan ordinaire guppen. Even verderop naar beneden tussen de takken en stenen vingen we echter ook diverse Hemigrammus-soorten en een Hephessiobricon-soort. De schichtige vissen die ons vaak te vlug af waren bleken tot het geslacht Moenkhousia te behoren. We vingen er uiteindelijk wel enige en de buit werd mee naar het kamp genomen. In het late avondlicht zonder gebruik van een flitser heb ik nog een aantal dia's gemaakt voordat ik een deel van de dieren in de formaline preserveerde. Het vangen met de netten bleek zelfs in dit rotsachtige bergbeekje goed mogelijk maar Rivulussen konden we niet buitmaken. Het biotoop zag er ook niet uit als ideaal voor de vissen uit dat geslacht. Het water stroomde te hard en was tamelijk koel.( 22 graden Celsius.) De luchttemperatuur was 26 graden. We zaten tamelijk hoog op ca. 800 voet boven zeeniveau. Alles bij elkaar zag het er niet rooskleurig uit en besloten we een duik te nemen in het koele water. De avond was gevallen en Melville en ik zwommen naakt in de koele beek en waste alle ellende van die dag van ons af. We zagen een hele colonne bladsnijder- mieren die onder de loopplank door het watertje overstaken in een niet aflatende rij. Elke mier had een flink stuk boomblad bij zich wat een bijzonder fraai gezicht was. Die avond aten we bij de voorman en z'n vrouw die ook op het terrein woonde en leerde veel over hun manier van leven. Zijn naam was William Brittain en voordat hij hier in het houthakkers kamp werkzaam was werkte hij als duiker in de goudwinning. Hierover later meer omdat ik ook later nog in een gouddelverskamp zou komen te wonen. William en z'n vrouw, beide van Indische voorouders waren zeer gastvrij. Van hem kreeg ik als geschenk en aandenken een met de hand gesneden "Chief stick" uit een van de meest zeldzame en hardste houtsoorten van de wereld. Dit hout "Leppardwood" ofwel luipaardhout bezat naast een rood- bruine grondkleur een prachtige zwarte vlektekening. Ikzelf was natuurlijk zeer ingenomen met het cadeau en maakte de volgende morgen een foto van zijn knappe volborstige vrouw en bedacht me als tegenprestatie daarvan een afdruk uitvergroot terug te sturen. Voordat het zover was brachten we de nacht door in ons gastenverblijf en ik kan wel zeggen dat ik weer geen oog dichtgedaan heb. Het hele huis bestond uit open regelwerk en de wind had vrij spel. Omdat die nacht een onweer losbrak dat elk voorheen gedane ervaring overtrof en het huis op zijn palen deed schudden, urenlang achtereen, kwam er van slapen weer niet veel. De "Baboons" ofwel brulapen konden die morgen toch noch flink tekeergaan. Brulapen maken een doordringend geluid om naar men zegt de regen op te roepen. Mij dunkt dat ze daar die nacht echter wel genoeg van moeten hebben gehad. Maar toch ! Het houten planken bed met matras had echter toch voldoende rust gegeven zodat we om zes uur opstonden en ons klaarmaakte voor het ontbijt. Ik verzorgde de wond en om klokslag zeven vertrokken we met de truck naar de plaats die we de vorige dag ijlings hadden verlaten. Daar werd met het laden van het hout begonnen waarbij ik de videocamera alles liet registreren. Het was hard en gevaarlijk werk om alles op de trailer te krijgen en vast te sjorren. Met de gillende machine werden de bomen omhoog geduwd langs twee schuin tegen de trailer op liggende boomstammen. De eerste boom werd vastgemaakt waarna de rest er tegenop werd geduwd. Intussen werd een zware schakelketting rond de lading aangebracht en met een supergrote wartel van ca. een meter verder aangedraaid. Op de weg terug zaten we boven op de boomstammen en moest de wartel steeds opnieuw worden aangedraaid. Het zou een mooie terugtocht worden want door het gewicht van de lading was de wagen minder bokkig op de oneffen weg. Ik ving een van de mooie grote blauwe weerschijnvlinders daar deze een van de boomstammen op de truck uitkoos om uit te rusten. Hoog in de bomen speurde ik naar het rijke dierenleven waaraan het in het lagere deel van het woud zo op het eerste oog ontbrak. En ja, tussen de boomtoppen waren vele vogels te zien zoals de grote toekans met hun zwarte kleed en overdadig grote snavels waarmee ze de bessen in het bladerdak te lijf gingen. Ook een soort kraaiachtige vogel met prachtig geelomrande ogen was veel te zien. Natuurlijk was ik er op uit om ook apen te ontdekken en zo nu en dan dacht ik ze ook te zien springen tussen de takken van de hoogste bomen. Opeens viel m'n oog op een fantastisch schouwspel. Heel hoog in de kruin van een minstens vijfendertig meter hoge woudreus zag ik een paartje roodgele ara's met elkaar zitten bakkeleien. Deze vogels in de dierentuin zien is wel mooi maar als je dan dit meemaakt springt je hart je in keel van opwinding. Jammer dat de auto doordenderde en ik heb spijt dat ik toen de chauffeur niet gevraagd heb even te stoppen zodat ik deze juwelen van het vogelrijk in hun biotoop kon filmen. We hadden voordat de rit begon met de chauffeur afgesproken dat deze ons onderweg bij de eerste kreek moest afzetten zodat we daar ons geluk nog eens konden proberen. Ik had de dag tevoren op de heenweg een voor mij onbekend soort vis gezien en wilde naast het zoeken naar Rivulussen ook uit zien te vinden wat dat voor een soort was. Zoals afgesproken werden we bij de kreek afgezet en het scheelde geen haar of de automotor sloeg daarbij af. Als je bedenkt dat deze alleen met een speciaal motorische zwengel kon worden gestart of door aangeduwd of getrokken te worden kun je de zucht van verlichting van de chauffeur levendig voorstellen toen de motor na een ijzig langzame omwenteling toch weer op toeren kwam. Nadat de ronkende auto buiten gehoorsafstand was waren wij weer alleen in het grote woud. We maakten wat dia's en onderzochten de waterkwaliteit op zuurgraad, temperatuur, totale hardheid, carbonaathardheid, kleur en de aanwezigheid van nitriet of nitraat. De bodem van het kreekje was niet vast en al wadend zakte ik zeker telkens 50 tot 70 centimeter diep in de zuigende bladerprut. De meeste visjes waren met het schepnet goed te vangen. Het grote treknet was niet te gebruiken omdat er overal takken en planten uit het water oprezen. We moesten al wadend tussen de begroeiing zeer op onze hoede zijn voor giftige slangen. Doordat de kreek eigenlijk geen echte oever had maar vlak uitliep in het woud en tussen het dichte onderhout was het ook moeilijk de loop naar boven of beneden te volgen zodat we besloten dicht in de omgeving van de weg te blijven. Een uur lang waren we bezig toen ik met mijn net een haal onder een groep varenachtige oeverplanten deed. Vanonder een van de bladeren schoot in 'n fractie van een seconde een insect naar mij gezicht en stak me zonder pardon in de lip om daarna linea recta weer terug onder het blad te schieten. Het was een roofwesp en ik had het nest van de kolonie verstoord dat onder aan het varenblad was gemetseld. Ik schreeuwde het uit van de pijn en de schrik, liet het net vallen en maakte me uit de voeten. Melville en ik bleven op afstand om af te wachten of er nog meer aanvallen zouden volgen maar deze bleven gelukkig uit. Mijn lip brandde en werd zienderogen dikker. Voorzichtig ben ik daarna het net gaan halen, op alles voorbereid. Na drie uur nam de pijn af. We visten gedurende die tijd echter gewoon door maar bleven op een veilige afstand van alle mogelijke plaatsen waar de wespennesten konden hangen. De vangst was groot maar de vreemde vis en Rivulussen werden niet gevangen. Eigenlijk was daarmee deze eerste expeditie een teleurstelling geworden. Wat ik niet wist was dat dit niet de laatste teleurstelling zou zijn. Ik had echter al zo'n bruin vermoeden dat de dingen niet gingen zoals ik ze mij had voorgesteld. Door de vaak aanhoudende regen en de telkens weer terugkerende perioden van in het water staan was de wond aan mijn been witachtig geworden en zwol enigszins ontstoken op. Veel pijn deed deze echter niet. Terug op Skull- Point besloten we zo snel mogelijk naar de stad terug te keren om vandaar uit een nieuwe trip te plannen. Dit lieten we Albert weten en deze vertelde ons dat we van geluk konden spreken daar er naar zijn zeggen rond het middaguur een vliegtuig van de Maatschappij zou landen en ons naar Georgetown kosteloos terug zou vliegen. Even later werd dit echter afgeblazen zodat we uiteindelijk weer even blij waren geweest met de bekende dode mus. Nu wilde ik pers‚ die dag terug omdat de volgende dag op zondag over de chartervlucht naar de Kaieteur- watervallen met ons contact zou worden opgenomen. Daarom vroeg ik Albert een vliegtuig voor mij te bestellen waarvoor ik dan wel zou moeten betalen uiteraard. Daar de telefoon al enige dagen defect was werd over de radio contact gezocht met allerlei mensen en instanties en Albert liet geen mogelijkheid onbenut. Zelfs de politie commissaris, een goede vriend van Albert werd ingeschakeld maar er was geen vliegtuig te krijgen. Het grappige was dat toen wij later in de stad een biertje zaten te drinken veel mensen hadden meegeluisterd naar onze pogingen om van Skull- Point weg te komen. Oom Albert had de zaak als bijzonder dringend aangegeven en dat zorgde er voor dat dit alles door velen als een spannende zaak werd gevolgd op de vrije radiofrequentie. Hoe dan ook we kwamen niet weg. Er was echter nog het bootje en dat zou die middag om twee uur naar Bartica oversteken. We zouden dan vandaar de snelboot naar Parika kunnen nemen en daarna met de taxi weer naar Georgetown rijden. Dat was weliswaar een langdurige tocht maar we zouden dan tenminste de zondag terug zijn. We wasten ons en aten snel nog wat waarna oom Albert ons naar de boot bracht. Hij regelde een plaats boven op het dek. Onderin is voor de zwarten zo stelde hij rassistisch vast. Hijzelf behoorde net als Melville tot de groep halfbloedige daar zijn zwarte voorouders zich met de indiaanse oerbevolking van dit gebied met elkaar vermengden. Hij vond zichzelf meer waard dan zijn zwarte landgenoten en ik moet zeggen dat dit voor bijna alle mensen van zijn huidkleur gold. Ik denk dat de instelling van de zwarte mensen in Guyana hieraan extra voeding gaf. De zwarten hadden weliswaar de touwtjes in handen op politiek gebied en waren numeriek in de meerderheid maar de handel en het vernuft waren geheel in handen van de Indiase en mix inwoners van het land. Ook het geld wat op een nette manier verdiend werd kwam in de regel niet bij het zwarte deel van de bevolking terecht. Hieruit valt af te leiden dat er ook eenduidelijke onderlinge kompetitie bestond tussen de diverse bevolkingsgroepen. In stad moest iedereen naar de pijpen van de zwarte ministeries dansen en zo waren er regels dat in een bedrijf van een bepaalde grootte, ook al was dat bedrijf in handen van een andere bevolkingsgroep, een deel van het leidinggevende personeel uit negers moest worden samengesteld. Aan de rand van de bush waar wij op dat moment nog zaten gold die regel ook en deze werd ook uitgevoerd, echter was de daarvoor uitgekozen zwarte man duidelijk niet tegen het overheersende leiderschap van Albert op- gewassen en liet zich openlijk door hem als 'n noodzakelijk kwaad afschilderen. Er bleek vertraging te zijn of zoiets want een half uur later was er nog geen vertrek activiteit. Bij navraag bleek dat de motor tijdens het olie verversen door de mecanicien naar de verdommenis was geholpen. Hij had een te lange stalen peilstok gebruikt en deze dwars door de gietijzeren carterbodem heen gestoken. Er zat een gat in van ca. 5 cm. doorsnede. Alle olie was natuurlijk uitgelopen en in een poel van olie en water werden verschillende pogingen ondernomen om de zaak tijdelijk weer dicht te krijgen. Dit had geen succes en de tijd kroop voorbij. Het was inmiddels 4 uur en nog steeds werd er aan de motor gewerkt. Alle mensen aan boord werden ongeduldig en de meeste pakten hun spullen en zagen hun geplande thuistrip in het water vallen. Sommigen waren al meer dan twee maanden van huis en hadden zojuist hun loon ontvangen en wilden daarmee terug naar de bewoonde wereld. Ook voor ons kwam dit wel heel slecht uit. Een Indiaan welke met z'n kano van de overzijde van de Mazaruni was aan komen varen bood uitkomst. Hij zou terug- peddelen naar huis zo'n 4 5 kilometer ver aan de overzijde en daar zijn motorbootje ophalen om ons daarmee naar Bartica te vervoeren. Bij de mensen die met ons mee zouden gaan was ook een vrouw met een ziek kind. Verder waren er natuurlijk veel meer gegadigden dan er plaats was. Zo ontstonden er wat meningsverschillen maar deze werden weer bijgelegd en terwijl wij naar het steeds kleiner wordende stipje op het water keken brak er opnieuw een tijd van wachten aan. Een uur en vijftien minuten later bereikte hij onze oever en werd begonnen met het laden van de boot. Toen alles op z'n plaats zat startte de Indiaan de motor en na een paar seconden sloeg deze weer af zodat we stuurloos van de wal wegdreven. Aanvankelijk had iedereen nog schik maar toen de motor niet aan wilde slaan gingen er stemmen op om Melville en mij maar overboord te smijten. Onze aanwezigheid bleek het ongeluk en de pech met zich mee te dragen en wij werden schertsenderwijs daarom verantwoordelijk gesteld voor deze nieuwe tegenvaller. Naar de kant gepeddeld en motor weer aan de praat gebracht. Eindelijk waren we op weg. Er stond een stramme wind uit het oosten en dat was precies de richting waarin wij voeren. Het bootje was overvol en de gangboorden lagen zowat gelijk met de waterspiegel. Naarmate we meer het open water bereikten werden de golven hoger en spoelden vaker over de boeg en gangboorden. Buiswater sloeg steeds vaker over en er moest steeds gehoosd worden. Melville ontvouwde zijn meegebrachte plasticzeil en ieder die in de boot zat kroop er achter of onder om niet doornat te worden. Ikzelf bracht alleen de cameraspullen in veiligheid. Ik moest er niet aan denken dat er iets met de geleende spullen van Dhr. Schuurman zou gebeuren. Het zag er echter niet echt rooskleurig uit en de nog af te leggen weg nog zeer lang. We hadden de stroming van de rivier mee maar dit zorgde voor extra hoge golven i.v.m. de windrichting. Nu ben ik niet gauw bang op het water omdat ik jaren op zee zeilend mijn vakanties had doorgebracht. Hier echter voelde ik mij niet op m'n gemak vooral omdat geen enkel reddingsartikel aanwezig was. Gelukkig voor ons bleven we drijven en kwamen in de rustige lei van de oevers van Bartica. Onze dank aan de Indiaan was groot en dat lieten we hem weten door niet af te dingen op het veel te hoge bedrag dat hij ons rekende per persoon. Terug in Bartica "The Ashole Of The World" gingen we weer bij de vader en moeder van Patsi op bezoek. Die avond, zaterdag 15 juli 1989, was een heel bijzondere. Ik maakte voor het eerst van m'n leven een echte uitgaansavond in de binnenlanden mee. Iedereen, arm of rijk, trok z'n mooiste kleren aan en wandelde of liever "flaneerde" door de armoedige straten van de stad. Overal stonden groepjes mensen met elkaar te praten en hadden de mensen plezier met elkaar. Iedereen scheen elkaar te kennen en we dronken enkele biertjes in het naar urine stinkende hotelletje vlakbij de stads elektragenerator die een hels kabaal maakte. Helaas was onze Nederlandse vriend Jerry nergens meer te vinden en wisten we dus niet of we nog op tijd zouden zijn om telefonisch de trip naar de Kaieteur- waterval te regelen. We sliepen maar kort in het bewegende huis op palen want om 6 uur de volgende morgen vertrokken we met de eerste snelboot in de richting van Parika. Die zondagmorgen was de rivier zo glad als een spiegel en de zonsopkomst gaf het dampende oerwoud een heel sinister en spookachtig uiterlijk. We voeren kort langs de oever omdat er onderweg nog iemand moest worden afgezet en daarna ging het hard in noordwaartse richting naar Parika. Daar namen we een taxi die ons s'morgens om iets over acht in Georgetown afleverde.
HOOFDSTUK 5 :
TRIP NAAR LETHEM
De hele zondag hadden wij zitten wachten op het telefoontje van de onbekende die onze trip naar de Kaieteur zou regelen maar dit kwam maar niet. Ik had er bij Melville op aangedrongen dat er snel een nieuw reisdoel moest worden besproken en dat wanneer de Kaieteur niet haalbaar bleek ik er de voorkeur voor had naar het verre binnenland te gaan om daar nog niet onderzochte gebieden af te stropen en misschien zo op nog onontdekte vissoorten en misschien wel nieuwe Rivulussen te stuiten. Wendell, de broer van Melville, had zijn goudwin installatie en ploeg aan de grens met Venezuela in de buurt van Ankoko-island in de Winnamu rivier. Dat was een van de doelen die hoog op mijn verlanglijstje stond. Verder wilde ik beslist het savannegebied rondom de plaats Lethem bezoeken. We besloten dit eerst te doen. Wendell had liever dat de trip naar zijn "golddrudge" later zou plaatsvinden. Als wij daarheen zouden vliegen was het onvermijdelijk dat een deel van de bemanning het werk zou willen verlaten om met dat vliegtuigje weer terug te keren naar de bewoonde wereld. het zou hem dan weer veel moeite kosten om de post bemand te krijgen. Lethem was voor mijn gevoel daarom zo belangrijk als mogelijk onderzoeksgebied daar hier twee totaal verschillende riviersystemen hun bron en bovenloop hadden. Aan de ene kant stroomde de Takutu-river af van het savannehoogland en vloeide uit in de Rio Branco, een grote rivier die zijn water weer in de zuidelijk gelegen Amazone afliet. Aan de andere kant was daar de bron van de Rupununi, de rivier waar het gebied z'n naam aan te danken had. Deze Rupununi echter stroomde af in noordwaardse richting om uiteindelijk met de wilde bovenstroom van de Essequibo samen te vloeien en uit te monden aan de noordzijde van het Zuid-Amerikaanse contingent. Uit een intensief onderzoek van beide rivier bovenlopen en alle zijstroompjes welke deze voeden, en een goede rapportage van de verschillende vissen die er hun habitat hebben moest naar mijn mening een groot aantal conclusies kunnen worden getrokken. Conclusies m.b.t. de oorsprong en afscheiding van diverse soorten en eventueel geslachten. Dit alles op slechts enkele tientallen kilometers van elkaar. Ideaal expeditiedoel dus en ik was van plan daar een hele week te verblijven. Melville had daar geen bekenden of familieleden maar een paar telefoontjes leverde redelijk wat aan informatie op en ook iemand die ons kon vertellen bij wie we te rade moesten gaan als we daar waren aangekomen. Een visvanger/ exporteur had er zijn domicilie en van hem konden we de beste informatie ontvangen. Wendell gebruikte zijn relatie met een van de piloten die op Lethem vlogen en arrangeerde voor ons een vlucht met de Air-Van die voor zessen de volgende morgen zou opstijgen. Voor de matsprijs van 1500 GD de man konden we de heen tocht maken. We moesten echter al om 5 uur opstaan omdat deze "luchtbus" vanaf de luchthaven Timehri zou vertrekken en dat was nog zeker 35 kilometer rijden over een weg met diepe gaten en vol mensen die allen op weg waren om in de stad te werken of hun producten te verkopen. Chaos dus. Op tijd aangekomen en spullen in de buik van dit oude vierkante transportvliegtuigje geladen. Het was moeilijk voor te stellen dat het ding "vlieg-waardig" was maar de andere passagiers keken allen blij en monter dus was er ook voor mij geen aanleiding om mij ongerust te maken. Het interieur stelde ook al niet veel voor want op 6 zitplaatsen na was de hele romp leeg. Ik telde ca. 18 passagiers, meest vrouwen met tassen vol spullen, en enkele jonge mannen die allen een plekje voorin in beslag namen en daar op de grond gingen liggen. Melville en ik hadden afscheid genomen van Wendell. Ik nam plaats op een van de tempex dozen waar de vangspullen in zaten. Melville trok een zak rijst onder z'n gat en was daarmee ook klaar voor de vlucht die anderhalf uur zou duren. Het was nog stikkedonker toen we opstegen en ik zag onder mij de lichten van de stad Bauxiet-stad Linden onder mij vervagen. Langzaam verlichtte de zon daarna de hemel tot een bloedrode band waarna het dampende oerwoud onder ons tekening begon te vertonen. Om ongeveer half acht landden we met een ferme klap op het vliegveldje van Lethem. Het was niet meer dan een betonbaan van een 10 meter breed en daaromheen niets dan gras. Daar er niemand was werden we door de zijuitgang langs het aankomst-gebouwtje gevoerd en ging iedereen in de richting van een klein hotelletje om daar papieren te gaan zitten invullen. Daar wij niet wisten waarvoor dat was vroegen we of wij ook die formulieren in moesten vullen. Alleen als we door zouden reizen over de grens naar Brazili‰, zoals zij, moesten wij de papieren invullen. Wij waren echter van plan te blijven en informeerde bij dat hotel naar een mogelijk ontbijt en een kamer. Het antwoord van de aanwezige poetsvrouw was niet echt bemoedigend. De baas kwam pas over een of twee uur en er was geen suiker en gebrek aan nog veel meer. Wegwezen dus, dachten Melville en ik. Op de rode zandweg die voor het hotel langs liep kwam een man voorbij die hier zo te zien bekend was en we vroegen hem of hij voor ons een onderkomen wist. In plaats van ons de weg uit te leggen bracht hij ons lopend een heel eind verder naar een naar zijn zeggen veel beter hotel dan hetgeen waar wij voor stonden. Hij was zeer spraakzaam en in korte tijd wisten we zijn naam, Terry en de helft van z'n levensloop. Melville was een beetje op z'n hoede en waarschuwde mij niet teveel van onszelf prijs te geven. De knaap was zonder werk en leek mij een goede gids voor de komende dagen. Zijn toeschietelijkheid bij het geven van informatie leerde ons ook dat de man die hier een vangstation voor tropische vissen dreef kort tevoren was overleden. Wat een pech voor hem en cynisch genoeg ook voor ons. Zou de pech ons ook hier in de savannen ons achtervolgen? Tot nog toe hadden we vandaag alles op rolletjes zien verlopen. Het hotel bleek inderdaad goed en verzorgd te zijn. Ook het ontbijt was heerlijk en sinds dagen had ik niet meer zoveel naar binnen geschranst. Ondertussen lieten we het hotelpersoneel voor ons navraag doen voor een vervoermiddel. Hier op de savannen waar nauwelijks bomen groeien en veel struiken en gras het landschap bepalen, is een jeep h‚t vervoermiddel. Het was weliswaar officieel droge tijd maar de regentijd bleef maar aanduren ook in deze regio. Naar het zeggen van de mensen die hier woonden had het in zeker de laatste honderd jaar niet zo lang en aanhoudend geregend. Op de savannen was daarom veer water, vooral op de wegen waar veel gereden werd veroorzaakte dit veel diepe plassen. Een normale auto zou hier direkt stranden. Typisch voor het gebied dat een hoofdzakelijk op de veeteelt gerichte economie heeft is de enorme weidsheid hier en daar onderbroken door de termietenheuvels en slierten van bebossing langs de watertjes die de savannen doorstromen. In de verte is het bergmassief van de Kanuku Mountains te zien in een blauwe schijn. Het blijkt dat niet ver van het hotel een man woont die een jeep bezit en we krijgen z'n adres. Mr. Walker was niet thuis maar was op weg en kon elk moment terug komen. Het duurde dan ook niet lang voor we met hem stonden te onderhandelen over de verhuur van zijn wagen en diensten. We konden geen exacte prijs vastleggen maar hij zou ons niet het vel over de oren halen zoals hij beweerde. Vlug werd een reisplan opgesteld en nadat benzine in jerrycans was ingeladen en bij een familielid van Terry nog wat eetbaars was gekocht gingen Mr. Walker en zijn zoontje, Terry Melville en ik op weg in zuidelijke richting om de kreken van de Takatu als eerste af te vissen. We passeerden eerst twee kreken die z¢ snel stroomden dat het water onmogelijk kleinere aquariumvissen kon bevatten. Het water gierde door de bochten en kolkte bij elke steen die het onder de oppervlakte ontmoette. We vervolgden onze tocht op zoek naar betere omstandigheden om vissen te vangen. Bij de derde kreek zagen we een tamelijk rustig stromend water waar veel begroeiing was aan de kanten. Ideaal voor het vangen van vissen. Ik trok mijn kleren uit en ging in zwembroek naar beneden om in het water mijn net uit te proberen. Maar voor ik de oever bereikt had zag mijn lijf zwart van de kleine beestjes die elk voor zich een bloedende beet in mijn vel achterlieten. Plotseling jeukte mijn hele lijf en Mr. Walker lachte en bracht mij vanaf de brug op de hoogte dat het hier om "Kaburu's" ging en dat het zeker onverstandig was om te krabben omdat zoiets alleen maar tot nog ergere jeuk leidde en ook ontsteking van de wondjes tot gevolg zou hebben. Deze kaburu is de zandvlo van de steppen en is een plaag voor het grazende vee. De diertjes zijn heel zacht en kwetsbaar en daardoor makkelijk dood te wrijven echter is hun aantal zo groot dat je handen te kort komt om ze op tijd te vermurwen. Daartegenover staat dat ze ogenblikkelijk bijten als ze vanuit het gras op je springen. Melville die intussen ook naar beneden gekomen was om me bij het vissen te helpen was ook van onder tot boven met bloedvlekjes bezaaid en samen bleven we zo veel mogelijk onder water om van de kaburu's af te zijn. We zagen er gruwelijk uit en smeerden ons helemaal in met Autan olie. De fles was zo opgebruikt en we hadden er totaal geen bescherming van. Nog zie ik die grijns van Mr. Walker, onze jeepchauffeur. Intussen vingen we wel een enorm aantal vissoorten. Enkele daarvan waren; Nannostomus unifasciatus, Nannobricon eques, Ciclasoma festivum, diverse roofvissen en vele zalmpjes. Ook een paar zoetwater- garnalen belandden in ons net. We lieten ons met de stroom meedrijven en zwommen dan met het sleepnet wijduit naar de kant en dreven dan de vissen uit de oeverbegroeiing het net in. Van alle soorten verzamelden we enkele levende exemplaren in plastic zakken en nummerde alles zorgvuldig met het vindplaatsnummer.(Nr.3) Bij alle pogingen vingen wij geen Rivulus en we gingen desondanks met goede moed op weg naar de volgende kreek die de weg zou kruisen. Onderweg kregen we meermaals pech en bleef de jeep stomweg afslaan als we weer door een van de diepere plassen waren gereden. Met 'n duppie of zoiets maakte Derrick, zoals Mr. Walter van voren heette, de carburateur dan los en verwijderde het ingelopen water zodat de motor weer op gang kon worden gebracht. Zoiets duurde zelden langer dan 10 minuten zodat er tijd was om wat dia's te maken. De savanne was rijk aan dieren die door onze aanwezigheid werden opgeschrikt. Als de auto weer aangeduwd was, de starter werkte niet, ging het weer verder over de steeds heter wordende vlakte. De volgende kreek was nog mooier dan de vorige. Het water stroomde zachtjes en de oevers waren vlak. Het vangen van vis was hier een zeer aangename bezigheid en iedereen behalve Derrick ging te water om bij het vangen te helpen. Het heldere water was heerlijk koel op de diepere plaatsen waar het ca. 23 tot 24 graden mat. Op de ondiepe met planten begroeide oeverdelen was het water echt heet en kon door het gebrek aan stroming wel oplopen tot 35 graden Celsius. Ook in dit water ving ik vissen.! De beplanting bestond uit een uiterst fijn bladerige op Ambulia lijkende plantensoort (geen Cabomba) en de bodem was bedekt met een deken van naaldgras. In de minder hard stromende delen stonden fraaie waterlelie- achtigen. Ik nam van het fijne groen wat mee in de hoop uit te kunnen vinden wat voor een plantensoort het ging. Ook vingen we de larven van kikkertjes. Teleurstelling natuurlijk toen hier zelfs, in dit typische watertje voor Rivulussen geen enkele vertegenwoordiger van het geslacht werd gevonden. Rivulussen houden niet van sterke stroming en het was nog maar kort geleden dat het water hier met bulderend geraas omlaag was gekomen. Misschien hadden ze hier nooit gezeten maar het was ook mogelijk dat ze tijdelijk naar wat meer stroomafwaarts gelegen gebieden waren uitgeweken. Zo probeerden we nog meer plaatsen om tegen de middag naar het dorp terug te keren. De hitte was ondraaglijk geworden en zelfs de dieren waren niet meer te zien. We snakten naar een lekker koel glaasje prik of bier, 't kon niet schelen wat. Terug aan de rand van het dorp stond een bord aan de kant van de weg met de tekst; Welcome to Lethem. en ik nam de camera uit de tas en begon dit bord te filmen. Het leek me voor later leuk om deze welkomstwoorden aan het begin te monteren van het deel dat in die streek op film zou worden gezet. Uit een van de huizen, daar waarvoor wij waren gestopt kwam nu een zwarte jongeman rennen en riep mij toe dat ik moest stoppen met filmen. Terwijl hij met zijn ID-card zwaaide waaruit bleek dat hij officiële bevoegdheid had, vroeg hij heftig wie mij het recht gegeven had hier te "flimmen" zoals hij het noemde. En wie mij toestemming gegeven had om hier in Lethem te zijn. Ik vertelde hem dat niemand mij deze toestemming had gegeven maar dat ik aannam dat daarvoor geen reden bestond. Nou ik kan wel zeggen dat hij toen verschrikkelijk in zijn eer was aangetast want zoals later zou blijken moest iedere gast zich in dit dorp eerst bij de plaatselijke politie en bij hem, de Immigration- officer, melden. We vertelden hem dat niemand ons dat verteld had en dat wij ook geen soortgelijke aanwijzingen hadden gelezen. Nu kreeg ook Derrick ongenadig de wind van voren. Hij als ingezetene van de stad had zich schuldig gemaakt aan nalatigheid en ons onder zijn hoede genomen zonder de gevolgen daarvan te overzien. Waar ze vandaan kwamen weet ik niet precies maar voor we het wisten stonden we onder bewaking van twee met geweren bewapende soldaten en werd de videocamera met de films in beslag genomen. Wij werden onder bedreiging van de geweren meegevoerd naar het politiebureau waar men ons uitgebreid visiteerde en ondervroeg. Melville zorgde er angstvallig voor dat ik mij niet te kwaad maakte zodat er misschien nog wat te redden viel. Maar nee, er was geen praten wat hielp en deze jonge beambte bleef erbij dat de film in beslag werd genomen. Zelfs toen ik aanbood om het stukje met "Welcome to Lethem" te wissen en de rest van de film, waar al de belevenissen tot dat moment op stonden, aan hun te tonen veranderde dat niets aan zijn houding. Toen bedacht ik mij dat ik nog steeds een stuk papier bij me had dat redding kon brengen. Wim Suyker had namelijk een brief geschreven aan het ministerie van landbouw en visserij om toestemming voor het doen van onderzoek en het vangen van tropische vissen. Het antwoord was gekomen en gaf toestemming om vissen te vangen. De laatste regel hield echter een verbod in om de vissen levend het land uit te brengen. Nu had ik thuis deze brief een beetje "aangepast" waarbij ik deze laatste regel weggekopieerd had en het aanschrift van Wim veranderd in dat van mijzelf. Het geheel zag er echter bijzonder goed uit. Ik haalde de brief zonder overleg met Melville tevoorschijn en gaf hem aan de Immigration-officer. Deze begreep de strekking hiervan niet meteen en moest door de politieman worden geholpen. Hierna werd hij helemaal zenuwachtig en begon duidelijk zwetend nog heftiger tegen mij z'n macht tentoon te spreiden. Hij bleef bij zijn beslissing en de band bleef daar. Het ministerie moest dan maar beslissen of ik deze terug kon krijgen. Ik kneep hem een beetje want als het bedrog op een of andere manier aan het licht zou zijn gekomen had de hele trip in de cel geëindigd. De politiecommissaris keek wel naar wat er op de band stond en genoot zienderogen van de beelden. Hij vond dat zijn collega te ver ging maar had geen autoriteit om hem op een andere gedachte te brengen. Hij stelde daarom voor dat wij gingen praten met het districtshoofd welke ook in Lethem zijn zetel had. De slimme Immigration-officer zorgde echter eerst voor een apart onderhoud met deze districtcommissaris zodat bij voorbaat al vast stond dat wij met het eerstvolgende vliegtuig moesten vertrekken. Het bleek dat die middag de Air-Van nogmaals zou tussenlanden en de Districtscommissaris kon niets anders doen als ons toestemming geven de vissen te houden en gebood ons met de Air-van van die middag terug te vliegen naar Timehri. Ik probeerde nog de tape voor een lege te verwisselen maar dat bleek niet mogelijk. We betaalden Derrick en werden onder bewaking als boeven naar het hotel gebracht alwaar we onze spullen konden pakken om daarna regelrecht naar de landingsstrip gebracht te worden. Melville moest niet weg daar hij als Guyanees geen permissie nodig had gehad om naar Lethem te komen. Hij ging natuurlijk toch met mij mee terug. Het hotel was deels vooruitbetaald zodat die mensen er ook niet slechter op werden. Het vliegtuig was afgeladen vol met bagage en werd door de autoriteiten gedwongen een deel van de lading uit te laden en ons mee te nemen. Dit kostte ons nog eens extra en ook de geforceerde terugvlucht bleek lang niet zo goedkoop als die morgen de heen vlucht. De Immigration-officer stond onderaan de ingang van het bagageluik en stak zijn hand naar me uit om me te zeggen dat ik met papieren wel welkom zou zijn, de schoft.! Ik greep zijn brutaal uitgestoken hand en terwijl ik die in een stevige greep hield keek ik naar hem zonder iets terug te zeggen priemend in zijn zwarte ogen met een vernietigende blik. Daarna draaide ik me om en had moeite mijn woede te bedwingen en hem naar de strot te vliegen. Snel klauterde ik over de hoog opgetaste balen naar voren en voegde me bij Melville die de bagage naar binnen had gewerkt. Kort daarop stegen we op en na een lange stilte begon ik opnieuw te filmen en legde de chaos in de vliegtuigromp vast en filmde vanachter het scheidingsgordijn de piloot en zijn instrumentenpaneel. Deze traumatische tocht zou mij nog lang bijblijven en was het hoogtepunt van pech tot dan toe. Onderweg bleek pas hoe hoog de reiskosten waren. Het tarief werd gesteld op 17.50 GD per pond en met de bagage werden we op 350 pond geschat. Verder moesten we de schade van de uitgeladen bagage dragen en deze werd gesteld op 375 GD. In totaal waren we die dag voor het vliegen heen 3000 en voor het vliegen terug 6500 kwijt. Voor het hotel en het ontbijt 690 en aan Derrick 1000 terwijl de taxi van Timehri naar Georgetown ook nog eens 500 GD kostte. Totaal dus 11.690 wat neerkomt op zo'n Fl. 550,00 . We hadden sinds het ontbijt rond kwart over acht die morgen niets meer gegeten en ik had alleen maar een glaasje water op bij de politiepost in Lethem. We waren die dag al vanaf 5 uur in de morgen in touw. Teleurgesteld, doodmoe, hongerig en dorstig kwamen we tegen zeven uur in Georgetown aan. Om de hele zooi zo snel mogelijk te vergeten en een lekker maal binnen te krijgen nodigde ik mijn gastvrouw en gastheer Patsi en Wendell uit om met Melville en mij in de stad eens lekker uit eten te gaan. Zij wisten een pas nieuw geopende zaak waar het goed toeven was maar zelf hadden ze dat nog niet uitgeprobeerd. Daarom snel een bak water over de kop op de achterplaats om het savannestof er af te spoelen en in de beste kleren die ik bij me had. De wond aan mijn been klopte en de beten van de Kaburu's jeukten weer af en toe. Met "big foot" de stad in en het nieuwe restaurant opgezocht waar we eerst een zware beproeving moesten doorstaan. We moesten namelijk vijf vervelend steile trappen op en m'n benen voelde aan als lood. Boven gekomen troffen we een oase van rust in meer dan een zin. Er waren ondanks het uur van de avond maar weinig gasten zodat we snel konden bestellen. We aten heerlijk en het was echt gezellig zodat de herinnering aan de dag langzaam plaats maakte voor prettiger gedachten. Alleen zo nu en dan rees er weer woede op als ik er aan terugdacht. Na het eten besloten we nog een toetje te nemen en ik bestelde iets dat ik niet kende, met vruchten. Het bleek een soort ijscoupe te zijn en die had ik beter niet kunnen bestellen. De volgende morgen had ik last van een verschrikkelijke diarree met de Guyanese bijnaam "shitins" zodat ik er van overtuigd raakte dat ik zowel op de milkshake als op het ijs verkeerd reageerde. Niet het bier was de oorzaak van mijn eerdere klachten, zoals Melville had beweerd, maar 't ijs. Dat was in ieder geval een hele geruststelling. Stel je voor dat ik het zonder bier zou moeten doen. Ik betaalde alles met een enorme stapel bankbiljetten van 20 GD. Het was werkelijk gênant om met zulk kleine valuta en zo'n hoge stapel briefjes te moeten afrekenen. Je moest bijna een weekendtas meenemen i.p.v. een portemonnee.
HOOFDSTUK 6 :
GOUDZOEKERS OP DE WINNAMU RIVIER
Na een hele slechte nachtrust gingen we die morgen op weg naar het Ministerie van Home Affairs omdat een volgend bezoek aan de binnenlanden niet zo meer mocht verlopen en er dus vergunningen moesten worden gehaald. Normaal kostte dit ca. vijf dagen voor zo'n papiertje was klaargemaakt maar Wendell wist dit terug te brengen tot twee dagen. Bureaucratie ten top. Omdat het waarschijnlijk nog niet bekend zou zijn dat ik in Lethem gedeporteerd was en van mijn cassette beroofd meldden we hierover nog maar niets op het Ministerie. Eerst de benodigde vergunningen krijgen was het devies. We vroegen vergunning aan voor het gebied langs de Winnamu rivier en de Kaieteur- watervallen. We hadden besloten op woensdag als we de papieren op tijd zouden hebben naar de goudwin- post op de Winnamu- rivier te gaan en daar de omgeving te onderzoeken. Die dinsdag kregen we het telefoontje over de charter naar de Kaieteur die ook op woensdag zou vertrekken en diezelfde dag weer terug zou keren. We kozen toen echter voor de vlucht naar Winnamu omdat ik met Wim Suyker een afspraak had gemaakt over de te bezoeken punten. Wim zou de Kaieteur dus later voor zijn rekening nemen en daarbij kwam dat het bezoek aan Winnamu river langer zou gaan duren. Tenslotte had ik Wendell eindelijk bereid gevonden te gaan en wilde ik ook deze kans met beide handen aangrijpen. Ik liet het aanbod om op woensdag naar de hoogste waterval van de wereld te vliegen dus lopen. Wat een stommiteit toen bleek dat we op woensdag geen piloot konden krijgen die ons naar het bewuste gebied kon vliegen. Wat een pech, wat een stomme pech.! Afijn er was niets meer aan te veranderen en we gebruikten de dag om de spullen in orde te maken en de mensen op het Ministerie tot spoed te manen. God allemachtig, wat kunnen die mensen langzaam werken. De typemachine werkte in slowmotion een aantal regels op papier die dan weer door drie tot vijf verschillende mensen moesten worden gelezen en goed bevonden. Dan kwam er iemand met een stempel en moest het geheel nog weer worden ondertekend door de dienstdoende hoofdklerk of chef de equipe. Niet te geloven. Het hele ambtelijke apparaat was overbezet en bestond geheel en alleen uit zwarte mensen. Niemand gaf de indruk hard te werken en als er geen vacatures voor bevriende relaties of familieleden meer te vergeven waren binnen de bestaande Ministeries dan verzon men wel weer een nieuw departement of Ministerie. Je zag dan ook overal in de stad openbare gebouwen met naar buiten starende zwarte ambtenaren in witte hemden, dromend van de wereld buiten. Voor de loketten stonden welhaast altijd rijen van min of meer geduldig wachtende burgers. Maar eindelijk kregen we op donderdag de gevraagde vergunningen. Die middag om vijf voor half twee, precies op het moment dat het alarmsignaal van mijn horloge afging stegen we op vanaf het vliegveld Ogle. Normaliter moest ik op dit moment mijn winkel na de middagpauze weer openen, vandaar dit alarmsignaal dat nog niet door mij was afgezet. Het werd een zeer ruwe turbulente vlucht op ca. 3000 voet hoogte in de Cessna 206 die behalve vier passagiers tot de nok toe afgeladen was met onderdelen voor het goudzoek-platform. Alleen zittend op pas geverfde, nog natte ijzeren onderdelen met het hoofd gebogen onder het dak van de kleine machine en zo anderhalf uur lang was geen pretje. Ook Melville met z'n lange lijf had het moeilijk. Onderweg maakte de piloot, die van Chinese afkomst was, even een klein ommetje om ons te laten genieten van het prachtige uitzicht dat het in de diepte stortende water van de Sakaika- waterval bood. Er gingen nogal wat verhalen over deze piloot de ronde en de meeste handelden over het telkens weer levend terugkeren na het een of andere vliegtuigongeluk waarbij hij de piloot was. Hij overleefde naar ik kon tellen vier keer 'n crèche maar daarbij waren telkens wel een paar passagiers omgekomen. Nu liet ik de dingen komen zoals ze kwamen en liet me ook niet bang maken door deze verhalen. Ik geloofde echter wel dat hij tot het doen van riskante zaken in staat was. Dat bleek al heel snel toen hij de toppen van de bomen zowat afmaaide bij het aanvliegen van de landingsbaan "Etterengbang" welke was aangelegd voor militaire doeleinden. Hier werd op kleine schaal een grens- conflict uitgevochten met de Venezolaanse regering. De landingsbaan was niet meer dan een grasveldje tussen de aan alle kanten hoog oprijzende bebossing. Het toestel kwam snel tot stilstand vanwege het grote gewicht en de helling die de baan had. Aan het eind werden we opgewacht door een groepje mannen met geweren en ik had de camera in de tas gehouden zoals mij tevoren was opgedragen. Ook kwam na korte tijd een stel mensen op het toestel toe en begonnen met de piloot te onderhandelen over de prijs voor hun terugvlucht. Wij laadden intussen het toestel uit en keken toe hoe de piloot met twee man meer als de kist kon hebben aan de terugtocht begon. Allen naar voren leunend om zoveel mogelijk gewicht in het neusstuk te krijgen zaten de 7 passagiers in het met volle toeren draaiende toestelletje. Als door een katapult afgeschoten liet de piloot de rem los en schoot naar voren in de richting van de bosrand. Nog net voor de boom- toppen trok hij stijl op waarbij hij zowat op z'n staart stond om vervolgens ijselijk traag over de bomen uit het zicht te verdwijnen. Iedereen stond met de adem ingehouden te luisteren of er een vervolg op het motorgeluid zou komen en ja, even later haalde wij allen opgelucht adem toen de echo van de motor over de bomen ons bereikte. Na deze spannende momenten gingen wij ons melden bij de dienstdoende douanebeambte. De post lag dicht bij de rivier die ons scheidde van Venezuela. We kletsten wat over voetballers als Van Basten en Gullit en konden het uitstekend vinden met deze man. Uiteindelijk gingen wij op pad in de richting van de rivier waar Garvan, de jongere broer van Melville op ons wachtte. Hartelijk vielen beide broers elkaar in de armen daar ze elkaar vele jaren niet gezien hadden. Garvan, de bon-vivant van de familie was zeer open en hartelijk en had een joviaal karakter zoals later zou blijken. Samen met de metalen voorwerpen vulden wij de boot totdat de rand zowat gelijk met de waterspiegel kwam en zo voeren we de rivier op die sterk kolkend zijn weg zocht tussen de half overstroomde oevers van het regenwoud. We namen nog wat stroomversnellingen en legde aan op de andere oever, in Venezuela dus. Daar werd nagevraagd of de bestelde buitenboordmotor was aangekomen. Nee dus en daarom maar weer terug en stroomopwaarts in de richting van het kamp. Aan mijn rechterzijde passeerden we Ankoko island welk door de Venezolaanse militairen was veroverd en bezet en de oorzaak van de burenruzie was. Het was een tiental kilometers lang en bestond uit niets anders, net als alles er omheen, dan bomen en niets dan bomen. Hier en daar waren wachtposten met zandzakken te zien. Meer activiteit kon ik niet waarnemen. Het verhaal echter ging dat het er in de nacht niet pluis was en dat de vuurvliegjes zelfs op de oever van 't Guyanese land niet veilig voor het geweervuur van de militairen waren en daarom hun lichtjes niet lieten schijnen. Na zes uur in de avond was het verboden voor de goudzoekers de rivier te bevaren. Dit werd echter bij wijze van sport in de wind geslagen en het kwam dan ook vaak tot nachtelijke schotenwisselingen. Misschien schoot men opzettelijk mis of konden de soldaten gewoon niet mikken, in ieder geval waren er tot op dat moment nog geen doden of gewonden gevallen. Een tijd lang voeren we tegen de stroom op en zo nu en dan waren er kampementen op de oever te zien. Meestal een stuk kaal geslagen oever met een uit palen opgebouwd geraamte waarover een gekleurd dekzeil was gespannen. Een van de kampen was in gebruik als kroeg en we kregen te horen dat er zo nu en dan ook een aantal hoertjes hun boterham verdienden. Deze werden vanuit Venezuela overgevaren net zoals alle andere zaken die hier te koop waren. Soms werd de stroming zo sterk en was het verval van de rivier z¢ sterk dat het leek alsof we tegen een heuvel opvoeren. De kleine motor had er de grootste moeite mee en Wendell die het roer had moest goed op zijn tellen passen om de onder water oprijzende rotsen niet met de schroef te raken. Achter in de boot lagen een nieuwe schroef en een die totaal verwrongen was. Zo'n schroef had hier klaarblijkelijk geen lang leven zo stelde ik vast. Vanuit de boot had ik goed zicht op de dichte oevers waar het water onzichtbaar ergens eindigde. Vele vogels waren er te zien en ook zag ik regelmatig nesten van bijen of wespen in de takken boven het water hangen. Een prachtige grote ijsvogelsoort flitste laag over de bruine wateroppervlakte om vervolgens wat verderop een lage tak boven het water uit te kiezen als landingsplaats. Onderweg waren we een paar keer de "Drudge" van een andere goudzoekersploeg gepasseerd. Met heel lange lijnen lagen deze in de stroom verankerd waardoor ze makkelijk naar een andere plaats te verhalen waren als het zoeken op een stuk rivierbodem weinig of niets had opgeleverd. Soms blokkeerde zo'n lijn de vaarroute en werd de motor snel uit het water gehesen op het moment dat we over het touw gingen. Langzaam werd de rivier smaller en toen we het kampement van Wendell bereikte was deze hooguit nog 250 meter breed. Vanuit de boot zag ik al dat dit een van de best opgezette kampen was. Er was een tent met twee vaste slaapplaatsen, een grote houten afsluitbare kist en een kluis met daarbovenop een nauwkeurige weegbalans. Verder was er nog de tent voor de manschappen en ik schat dat daar zo'n 15 man hun onderkomen hadden in hangmatten. Iets verder naar achteren tegen de rand van het woud was een lage werkplaats met een grote vrieskist en een kanjer van een dieselgenerator die op gezette tijden aanging voor de stroomvoorziening. Daarvoor was de keuken met een half gesloten vuurhaard waarin met hout gestookt werd. Tafels met houten banken boden plaats aan wel twintig man indien nodig. Verder was er vlak aan de oever nog een afdak op palen welk als bootshuis dienst kon doen en waarin de botenbouwer zijn werk kon doen. Alles zag er schoon uit en de platgetrapte oever was ontdaan van alle groen zodat slangen en ongedierte zich er weinig op hun gemak zouden voelen. Behalve de generator was er een TV en een videorecorder, een pingpongtafel en kon er geschaakt worden. De kleine aanlegsteiger bestond uit een brede hardhouten plank met aan het einde twee oliedrums als drijflichaam. Onder het afdak zaten enkele mensen toen wij aankwamen maar niemand stond op om een touw aan te pakken. Dat was ook niet nodig want door de draaiende stroming werd de boot als vanzelf tegen de kant gehouden. Nadat alles was uitgeladen wat de boot uitmoest vertrok deze met Garvan aan het roer naar de "drudge" om daar de onderdelen te brengen die wij in het vliegtuig hadden meegenomen. Ook ging de volgende "shift" mannen mee die de volgende dienst moesten draaien. Later zou de boot terugkeren met aan boord de afgeloste mannen en de "buit" van die dag. Omdat Garvan op de drudge bleef zou er een bed onbeslapen zijn zodat Melville dit direct voor zich opeiste. Voor mij zochten we een plaatsje bezijden het kamp, vlak naast een flinke boom die niet was gekapt en waarvan de lianen naar beneden hingen. De bodem zat vol met omhoogstekende wortelstompen, overblijfsels van de gekapte lianen zodat er nergens een vlak stukje was. Melville en ik verzamelden daarom maar wat brede planken die als ondergrond voor mijn iglotent moesten dienen. Dit waren hardhouten planken en dat heb ik geweten ook. Tien meter verderop langs de oever lag een reusachtige stapel lege oliedrums, minstens veertig in totaal. Deze vaten werden vol diesel uit Venezuela gekocht en niemand wilde ze daarna meer terug. De tent stond snel en ik strooide een laag houtsnippers voor de opening op de grond als drainagelaag zodat ik tijdens de hevige stortregens niet meteen in de modder kwam te staan. Nu maar eens plannen maken voor die middag. Ik had al gehoord dat er de vorige dag iemand van de ploeg met de boot omgeslagen was geweest en dat daarbij de motor natuurlijk vol water was gelopen. Ook de beschermkap was verloren gegaan en er werd in de werkplaats aan gewerkt om het ding weer aan het lopen te krijgen. Het was, behalve de motor aan de boot waarmee wij gekomen waren, de enige buitenboordmotor in het kamp. Deze zou ons naar de verschillende kreekmondingen moeten brengen. De volgende dag zou hij het wel |